Een definitief en bevrijdend inzicht: koning Arthur heeft nooit bestaan

Iedere tijd zijn eigen koning Arthur. De Middeleeuwen had de sprookjesachtige christen-ridder, in de negentiende eeuw was Arthur een koloniale houwdegen , in de twintigste eeuw verscheen de bedachtzame koning uit T.H. White’s The once and future king. En wij hebben de charismatische jongeling uit de BBC-serie Merlin.

Maar wie was hij echt?

Ieder die deze vraag stelt moet Worlds of Arthur lezen, van de scherpzinnige Britse mediëvist Guy Halsall. Arthur strijdt in vrijwel alle verhalen tegen de heidense Saksen en daarom wordt de historische Arthur altijd gezocht in de overgangstijd tussen Romeinse tijd en Middeleeuwen. Na het vertrek van de Romeinse legioenen uit Engeland, begin vijfde eeuw, grepen Saksische zeerovers en kolonisten er de macht. De Britten werden verdreven naar Wales en Bretagne. De ware Arthur zou een achtergebleven Romeinse generaal zijn die het Britse verzet leidde.

Kan best toch?

Halsall legt ijzig kalm uit waarom dit niet kan. Sterker nog, na een subliem overzicht van het beschikbare bronnenmateriaal (voor de elfde eeuw is er eigenlijk niks over Arthur) en een misschien iets te uitvoerig overzicht van het archeologische materiaal uit de vijfde en zesde eeuw, komt hij tot een verbluffend slotbetoog. Er was helemaal geen harde strijd tussen Britten en Saksen in de vijfde en zesde eeuw. Dus er kan helemaal geen Arthur-achtige figuur hebben bestaan. Na het vertrek van de Romeinen was er wel een woekering van lokale machtcentra en elkaar bestrijdende koninkrijkjes. En er waren ook wel ‘Saksen’ en ‘Britten’, maar het onderscheid tussen die twee was oneindig veel complexer dan tussen veroveraars en wanhopige verdedigers. Het machtscentrum van de Saksen lag ook niet in Oost-Engeland, zoals uit de invasiemythe wordt afgeleid, maar in Centraal-Engeland. Daar was eind vierde eeuw een Saksisch hulpregiment dat na het vertrek van de reguliere legioenen achterbleef.

Het Arthurverhaal zelf is waarschijnlijk een product van de tiende eeuw en weerspiegelt eerder de strijd van de Welsh tegen de expansie van de Angelsaksische koningen van Wessex. Een heel andere tijd dus, maar met evenmin plaats voor een historische Arthur

Het knapste gedeelte van het boek is de uiteenzetting van Halsall over etnische identiteit. Die was – en is – niet van God of door genen gegeven, maar een culturele constructie. Met vooral veel voorbeelden uit Gallië in de vijfde en zesde eeuw (uit Britannië zijn nauwelijks bronnen) legt hij uit dat een familie best kon opschuiven van Gallo-Romaans naar Frankisch, of van Brits naar Saksisch. Misschien niet in één generatie, maar wel in twee. De juiste kleren, de juiste gebruiksvoorwerpen, en het allerbelangrijkste: de juiste loyaliteiten, en het klusje was geklaard. Archeologen beschouwen bepaalde grafgiften als typisch Brits of typisch Saksisch en bouwen daarop hele etnische theorieën. Maar je moet die zien als culturele machtsymbolen, zonder veel etnische diepgang. De oude lokale elites ontleenden hun prestige aan het contact met de Romeinen en hun mooie spullen, maar dat contact verdween. Nieuwe machtsvormen waren nodig en zo ging alles schuiven.

Ook om veel andere inzichten in de non-existentie van de historische Arthur is dit boek belangrijk. En bevrijdend. Want voortaan kunnen we onbekommerd van de verhalen genieten als echte verhalen. En ze navertellen. Want wie iets over Arthur vertelt, heeft ook nu nog onmiddellijk de aandacht. En dat is natuurlijk het echte raadsel.

Hendrik Spiering