Echte mannen moeten zich blijven bewijzen

Mannelijkheid is een broze eigenschap: moeilijk te bereiken en makkelijk te verliezen. Is de mannelijkheid aangetast, dan moet die hersteld, toont onderzoek aan.

Wat is een echte man? Dat is een vraag die veel mensen, vooral jonge mensen, nogal bezighoudt. Internetfora staan vol mogelijke antwoorden: ‘echte mannen’ zijn sterk, behaard, doortastend, en (financieel) onafhankelijk; ze huilen nooit en houden van pizza, voetbal en snelle auto’s. Cola-light drinken ze niet, dat is voor vrouwen. Dus hebben de grote colafabrikanten ‘mannelijkere’ suikervrije alternatieven Coca-Cola Zero en Pepsi Max voor hen ontwikkeld.

Mannen die onzeker zijn over hun mannelijkheid kunnen de laatste jaren ook allerlei cursussen en workshops volgen. Google maar: ‘Mannenkracht’ (voor mannen die het bijvoorbeeld ‘moeilijk vinden om de taak van leider op zich te nemen’), ‘Heart of Men’ (‘samen stilstaan bij de uitdagingen van het manzijn’), ‘Krijgerswerk’ (‘geeft je een diepgaande ervaring van wat het betekent om werkelijk helemaal man te zijn’) of gewoon ‘vrouwen versieren’. En voor thuis zijn er dan nog boeken als De kracht van echte mannen: gids voor de omgang met vrouwen, werk en seksualiteit (2009), De man: zijn lichaam, zijn ziel (2012) of Echte mannen: de man worden die God de vader in je ziet (2013).

Natuurlijk, vrouwen hebben het ook niet makkelijk. Die kunnen het gevoel hebben dat ze moeten voldoen aan bizarre eisen op het gebied van uiterlijke schoonheid of engelachtig moederschap. Maar dat mannen ook moeite hebben met hun mannelijkheid is een inzicht dat pas de laatste jaren geleidelijk doordringt in de wetenschappelijke psychologie. Het tijdschrift Psychology of Men and Masculinity wijdde er onlangs zelfs een speciale sectie aan.

In de huidige westerse samenleving is de gemiddelde man voortdurend op zijn hoede, om niet te zeggen angstig, over zijn mannelijkheid – dat is het beeld dat Joseph Vandello en Jennifer Bosson (University of South Florida, Tampa) daarin schetsen. Primitievere samenlevingen kenden en kennen tenminste nog overgangsrituelen, waarmee jongens voor eens en altijd konden bewijzen een echte man te zijn. Een groot wild dier doden. Onverdoofd besneden worden zonder een krimp te geven.

Maar de moderne man leeft, bij gebrek aan gestandaardiseerd overgangsritueel, in voortdurende onzekerheid: is hij wel een échte man? Mannelijkheid, betogen de psychologen, is zo beschouwd een vorm van sociale status die moeilijk te bereiken is. En áls een man die status bereikt heeft, moet hij publiekelijk zijn best blijven doen om die niet snel weer kwijt te raken.

Het is niet louter een grappig theorietje. Vandello en Bosson publiceren al een jaar of vijf onderzoek naar wat ze precarious manhood noemen, de onbestendigheid, ‘broosheid’ van mannelijkheid. Hun proefpersonen (voornamelijk Amerikaanse studenten) blijken vrouwelijkheid bijvoorbeeld een vaststaand biologisch gegeven te vinden, maar mannelijkheid meer sociaal bepaald. Ze vinden het gemakkelijker om zich voor te stellen dat iemand zijn mannelijkheid heeft verloren dan iemand anders haar vrouwelijkheid, en bij het eerste zien ze vooral sociale oorzaken: een baan verliezen, een geliefde teleurstellen.

Je lot in eigen handen nemen

Wat die mannelijkheid precies inhoudt, is lastig te definiëren, en opvattingen daarover zijn ook niet constant. Maar er zit over het algemeen iets in van actie, van je lot in eigen handen nemen, en vooral: niet vrouwelijk zijn. Jongetjes leren al om niet te huilen, want dat is stereotiep vrouwelijk, en jongetjes die met poppen spelen worden harder uitgelachen en feller gecorrigeerd dan meisjes die met autootjes spelen. En dat mannen minder dan vrouwen geneigd zijn om korter te gaan werken na de komst van een baby is niet alleen uit financiële overwegingen, maar ook deels omdat ze dan bang zijn dat hun mannelijkheid aangetast wordt, lieten de psychologen zien.

In een ander onderzoek namen Vandello en Bosson mannelijke studenten een algemene kennistest af over sport, autotechniek en doe-het-zelven en vrouwelijke studenten over koken, kinderen en mode. In beide groepen kreeg de helft te horen dat ze de test goed hadden gemaakt voor hun sekse, en de andere helft dat ze het zó slecht hadden gedaan dat hun antwoorden meer leken op die van het andere geslacht. Daarna moest iedereen een rijtje woorden als THREA..., LO...ER en SHA...E afmaken. Mannen die in hun mannelijkheid waren aangetast, vormden meer woorden die met angst en schaamte te maken hadden dan anderen (threat, loser, shame in plaats van bijvoorbeeld thread, lover, shave).

Zulke (misschien niet eens bewuste) angst en schaamte moet, en kán direct de kop ingedrukt worden, lieten de psychologen verder zien. Met agressie, bijvoorbeeld. Mannen die in een experiment gevraagd waren om het haar op het hoofd van een vrouwelijke etalagepop te vlechten en er roze lintjes in te doen, sloegen daarna harder op een boksbal dan mannen die een vergelijkbare vlechttaak hadden gedaan, maar dan met stoere kabels en touwen. En dat boksbal-slaan verminderde de angst. Het nemen van financiële risico’s zou ook kunnen helpen om eventueel aangetaste mannelijkheid te herbevestigen: mannen die handcrème moesten testen, namen daarna grotere risico’s in een gokspel dan mannen in de controlegroep, die met een boormachine mochten spelen.

En dat terwijl mannen overschatten hoe stoer het gedrag is dat vrouwen en andere mannen van hen verwachten – ook dat is onderzocht. Bovendien zijn agressief gedrag en risico’s nemen gevaarlijk. Net als veel rood vlees eten, ook een ongezonde strategie om een echte man te lijken.

Depressie en eenzaamheid

Er is nog een ander risico, volgens Vandello en Bosson: mannen die moeite hebben met hun mannelijkheid (die angstig vinden dat ze altijd stoer moeten zijn, geen emoties mogen tonen, niet mogen verliezen; die andere mannen niet durven aanraken) zijn volgens hen ook vaak geneigd zijn tot depressie en eenzaamheid. En waarschijnlijk durft juist deze groep mannen geen hulp te zoeken – dat is ‘zwakheid tonen’. Al met al redenen genoeg, vinden Vandello en Bosson, om het verschijnsel van de broze mannelijkheid in kaart te brengen.

De collega’s die uitgenodigd waren om op hun artikel te reageren, hebben weinig kritiek op de theorie zelf. Ze bekritiseren wel het feit dat Vandello en Bosson het louter over mannelijkheid hebben, niet over de broosheid van genderidentiteit in het algemeen. Zo krijg je een discussie over welke sekse het het zwaarst heeft, betogen Michael Addis en Joseph Schwab (Clark University, Worceste). De feministische psycholoog Joan Chrisler (Connecticut College, New London) zet in haar artikel Womanhood Is Not as Easy as It Seems inderdaad uitvoerig uiteen dat een vrouw die als vrouwelijk gezien wil worden, veel geld kwijt is aan oncomfortabele kleding, crèmes, make-up en soms zelfs schoonheidsoperaties. En als moeder wordt een vrouw geacht een bovenmenselijke zelfbeheersing aan de dag te leggen: nooit schreeuwen, nooit verveeld raken. Als vrouwelijkheid een biologisch gegeven is, zoals Vandello en Bosson beweren, hoefden vrouwen al die moeite niet te doen.

Maar dat neemt allemaal niet weg dat mannelijkheid dus óók een probleem voor mannen kan zijn, net als vrouwelijkheid voor vrouwen. Martin Heesacker en Steven Snowden (University of Florida, Gainesville) suggereren zelfs dat mannen er een probleem bij hebben, als dit onderzoek algemeen bekend wordt. Niet alleen moeten mannen aan allerlei mannelijkheidsnormen voldoen, bovendien staan ze dan voortaan als ‘zwak geslacht’ te boek.

Nu hoeven mannen zich dat niet persoonlijk aan te trekken, schrijven Vandello en Bosson. Het ligt niet aan hen, het ligt aan de cultuur. Maar inderdaad: die is niet zo eenvoudig te veranderen.