De terugkeer van de jezuïeten

Paus Franciscus wil de kerk terugbrengen bij de mensen en minder inhakken op homoseksualiteit of abortus. In het ontkerkelijkte Europa, waar burgers houvast zoeken nu ze door crisis en werkloosheid worden geteisterd, kan hem dat veel sympathie bezorgen. De kerk kan weer een machtsfactor van belang worden.

Het is alsof Franciscus de strategie van de moslimbroeders heeft bestudeerd. Als er een aardbeving in Egypte was, waren de broeders altijd meteen ter plekke met dekens, tenten en medicijnen. Later kwamen ngo’s en de VN. Tegen de tijd dat de Egyptische staat kwam aanzetten – dagen later – was het meeste leed geleden. 1-0 voor de broederschap.

Zo werd Hamas ook groot in Gaza: door sociale hulpverlening. In het begin zeurden ze wel als Palestijnen varkensvlees aten of wijn dronken, maar armenhulp, computerlessen en voetbaltoernooien hadden prioriteit. Lokale aanhangers in dorpjes en wijken organiseerden het efficiënt en goedkoop. Ze sprongen in een groot gat. Seculiere Palestijnse leiders zaten in Tunis en waren met andere dingen bezig. Israël, de bezetter, vond het wel handig als Hamas het opknapte. Zo bouwde Hamas (mede opgericht door Israël om de PLO te ondermijnen), net als hun Egyptische geestverwanten, gestaag een staat in de staat. Daarna kon de strijd tegen het zondige leven beginnen.

Hamas-aanhangers en moslimbroeders zijn niet enkel economische desperado’s. De kern bestaat uit middenklassers met gefrustreerde dromen. De Franse socioloog Gilles Kepel schreef eind jaren tachtig al dat imams mensen vooral hoop gaven, perspectief. Hun kracht was net doen alsof ze niet aan politiek deden. Arabieren waren politiek murw.

Pan-Arabisme, nationalisme en marxisme hadden hun lot niet verbeterd. Ze werden nog steeds door dictators bestuurd, met steun van Amerika en Israël. Politieke oppositie was verboden. Maar toen moskeeën sociaal werk gingen doen, lieten de regimes dat toe. Dan hadden mensen minder misère en minder reden om in opstand te komen. En dan hoefde de staat weinig te regelen.

Europa is het Midden-Oosten niet. Maar kijk naar de tendens: Europese verzorgingsstaten worden door de crisis minder genereus. De werkloosheid is hoog, maar sociale programma’s worden geschrapt. Multinationals doen hun intrede. Die willen zoveel mogelijk verdienen en zo min mogelijk belasting en lonen betalen. Politici beloven veel, maar leveren niet. Veel mensen voelen zich vermalen tussen de raderen van een kille, onbarmhartige maatschappij. Ze verliezen hun vertrouwen in de politiek en, erger, de toekomst. Ze zoeken houvast in een turbulente wereld en vinden niets – alleen yogaleraren, biogroenteboeren en ‘coaches’.

Onbegrijpelijk dat de kerk niet allang in dit spirituele gat is gesprongen – zoals de imams deden van Rabat tot Jakarta én de jezuïeten in Zuid-Amerika en Europa met hun priester-arbeiders.

De jezuïeten zijn sinds 1978 gemarginaliseerd in de kerk, toen de dogmatici van Opus Dei deze ‘communistenvrienden’ buitenspel zetten. En ineens is daar Paus Franciscus – jezuïet. Hij spreekt de taal die Hamas en de broederschap aanvankelijk gebruikten: help mensen eerst met hun dagelijkse besognes en zeur dan pas over wat God verbiedt.

Hebben de kardinalen die Franciscus kozen, dit voorzien? Of heeft hij ze verzekerd: we tackelen abortus en homoseksualiteit later? Zeker is dat Europese politici hem, mocht hij het ontkiemende verzet binnen de kerk overleven, een gouden kans bieden. Leggen deze niet-godsdienstige leiders de basis voor de herkerstening van Europa?

Caroline de Gruyter schrijft op deze plek elke zaterdag over Europa en politiek.