Waarom literaire megalanceringen zo vermoeiend zijn

Als een puttertje dat in één klap wordt verpletterd door een turf van duizend bladzijden – zo voelt een mens zich soms na een weekje literaire journalistiek. Het contrast is enorm. Er was altijd al ‘Het puttertje’: een piepklein en doodkalm schilderijtje uit 1754, van het soort dat je leert dat grote schoonheid er altijd uitziet alsof die toevallig is aan komen vliegen. En er is Het puttertje, die enorme woorden- en zinnenvloed met explosies, mysteries, uitweidingen en dwarsverbanden. Kán iemand die zulke obese romans schrijft zo’n schilderijtje wel begrijpen? Had die roman niet beter de ‘Tuin der lusten’ of ‘De Nachtwacht’ kunnen heten? En kan dan niet iemand anders een mooi klein gedicht over ‘Het puttertje’ schr... STOP!

Het vermoeiendste van een literaire megalancering is dat de halve wereld een mening over een boek heeft op basis van wat meer of minder geïnspireerd bladerwerk. De argumenten van de recensenten die het boek wél helemaal tot zich hebben laten doordringen, worden dadelijk gereduceerd tot het tellen van hun ballen. Enzovoort. Laten we het hier maar op houden: er zijn mensen die gemaakt zijn voor ‘Het puttertje’ en mensen die gemaakt zijn voor Het puttertje.

Ik ging op zoek naar een gedicht over ‘Het puttertje’, maar kon niets vinden: alleen de regels die Joost van den Vondel wijdde aan de buskruitramp van 1654 in Delft, waarbij Fabritius, die eerder dat jaar zijn puttertje had geschilderd, omkwam:

Verbouw een eeuw en Krezus Schat

Een vonk, een blik verwordt een stad

De klap was tot op Texel te horen. (Nee, nu niet zeggen dat die explosie wel wat aan het begin van Het puttertje doet denken). Zoekend naar Fabritiuspoëzie belandde ik bij de mooie bloemlezing Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief; die zoals alle mooie bloemlezingen al jaren geleden in de ramsj is beland. En als je dan ‘De boer’ van Judith Herzberg leest, dat ze schreef bij Pieter Brueghels ‘Landschap met de val van Icarus’ – een schilderij waarin zoals in goede poëzie alle bijzaken hoofdzaken zijn, en andersom – dan besef je hoe een dichter je kan helpen kijken:

Het ergste is als alles blijft zoals het is.

Ik wil en kan niet ingrijpen ik wil

naar huis, de koeien melken, eten

en vergeten wat ik zag. Het ergste is

dat dit tumult, als op een schilderij –

dat deze val, van wat?

van nacht nu bijna al

mij in één houding vat

mijn ploeg loopt vast

het blijft mij bij

ik schud het nooit meer af.

Het ergste is als zelfs vergaan

al stilgeschilderd is.

Het Brusselse Bozar liet gedichten maken bij de schilderijen van Morandi, toen die daar werden tentoongesteld. Heeft het Stedelijk al een mooi namenlijstje van dichters die ons een aparte blik op Malevitsj (de tentoonstelling opent over drie weken, dus het kan nog net) gaan geven? Dan kan Judith Herzberg nog net een gedicht over ‘Het puttertje’ schrijven, zodat haar nieuwe bundel volgende maand onontkoombaar door alle culturele media zeilt.