Verbod op zware wiet bekritiseerd

Het kabinet vindt wiet met meer dan 15 procent THC een harddrug. Maar wie bepaalde die grens?

Minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) en staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) hebben hun plan om zware wiet te verbieden doorgezet ondanks kritiek van belangrijke adviseurs. Het college van procureurs-generaal, GGZ Nederland, het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de Raad van Korpschefs hebben bezwaren geuit. Dat blijkt uit publicatie van hun adviezen bij antwoorden op Kamervragen.

In 2011 concludeerden diverse instanties dat een verbod op zware wiet zeer prematuur” is, dat het besluit onvoldoende onderbouwd is en „gemakkelijk tot discussie” kan leiden. Toch stuurde Van Rijn de Tweede Kamer in april 2013 een brief waarin hij een verbod aankondigde op zware wiet, marihuana met meer dan 15 procent THC. Deze tetrahydrocannabinol is een werkzame stof in cannabis. Het percentage ervan ligt hier tussen 15 en 18. Ongezond, vinden de ministeries.

Het wetsvoorstel van Van Rijn en Opstelten zou naar schatting 70 tot 80 procent van de cannabis tot harddrug – en daarmee illegaal – verklaren. Omdat D66 meer tijd wilde, heeft de Tweede Kamer het voorstel aangehouden.

Het idee cannabis met meer dan 15 procent THC te verbieden, komt uit het rapport Drugs in Lijsten dat de commissie-Garretsen in 2011 uitbracht. De kritiek van de geestelijke gezondheidszorg, de procureurs-generaal, het NFI en de korpschefs richt zich vooral op de onderbouwing.

GGZ Nederland deelt in haar advies de zorgen van de expertgroep over het hoge THC-gehalte. Ze noemt het echter prematuur om „vanuit het voorzorgsbeginsel” hasj en wiet met meer dan 15 procent THC nu al op de lijst van harddrugs (lijst 1) te plaatsen. „Hiervoor is geen wetenschappelijke onderbouwing aanwezig.”

Het College van procureurs-generaal merkt op dat het rapport-Garretsen „onvoldoende basis” biedt voor zo’n „verregaand voorstel”. Het NFI noemt de grens van 15 procent onvoldoende onderbouwd, en stelt dat meten ervan lastig is. „Het hanteren van een strikte grens als vijftien procent kan, zeker in combinatie met een relatief hoge meetonzekerheid, gemakkelijk tot discussie leiden.”

De plannen van Opstelten en Van Rijn leidden tot paniek in Nederlandse coffeeshops. Eigenaren stuurden een brandbrief naar de Kamer.

Het ministerie gaat ervan uit dat coffeeshophouders hun leveranciers zullen dwingen cannabis met minder THC te leveren, maar daar zit precies het probleem. De coffeeshopeigenaren kunnen onmogelijk weten hoeveel THC hun cannabis bevat. De leveranciers zitten namelijk in het illegale circuit, waardoor officiële instanties de teelt niet kunnen meten. Zelf hebben shopeigenaren daarvoor geen methode. Dat maakt het voor hen ondoenlijk te weten te komen of ze straks in hun zaak softdrugs verkopen of harddrugs. Op verkoop van harddrugs door coffeeshops staan hoge straffen.

Volgens Veiligheid en Justitie is „wel degelijk” rekening gehouden met de kritiek. Vorig jaar liet het ministerie in reactie daarop de gevolgen in kaart brengen van zware cannabis als harddrug. Conclusie: lastenverzwaring voor justitie en politie door extra harddrugszaken en dagvaardingen. Het rapport gaat niet in op de vraag waarom de grens voor zware cannabis wordt getrokken bij 15 procent.

De wetenschappelijke onderbouwing is nog altijd niet gevonden, zo blijkt uit de brief die van Van Rijn de Kamer bij zijn wetsvoorstel stuurde: „Een exacte grens voor het risico kan niet worden onderbouwd. […] Daarvoor is longitudinaal onderzoek nodig.”