‘Met mijn boeken ben ik aan het tryouten’

Spinder is Gouden Griffel-favoriet. ‘Als jongens met een weerzin tegen boeken geboeid raken, word ik gelukkig’, zegt Simon van der Geest.

‘Het liefst zou ik ook een redacteur van tien hebben’, zegt Simon van der Geest. Hij liet het manuscript van zijn laatste kinderboek Spinder lezen aan de groep acht van een bevriende lerares. Ze schreven in de kantlijn wat ze niet snapten, wat ze saai vonden of juist spannend. „Soms veranderde ik iets en soms dacht ik: dan vind je dat maar even moeilijk. Het is heel leerzaam om te ontdekken wat je woorden precies overbrengen.”

Simon van der Geest (1978) geldt als een van de grote nieuwe stemmen in de Nederlandse jeugdliteratuur. Al met zijn tweede boek, de Odysseebewerking Dissus, won hij in 2011 de Gouden Griffel. Zijn derde roman Spinder (2012) werd in juni bekroond met een Zilveren Griffel en is bovendien één van de favorieten voor de Gouden Griffel, die dinsdag, aan de vooravond van de Kinderboekenweek, wordt uitgereikt.

Spinder gaat over twee broers die strijden om een kelder. Hidde, bijgenaamd Spinder, wil er zijn verzameling terraria met insecten onderhouden – zijn broer Jeppe wil er z’n drumstel kwijt. De grimmige broederstrijd die ontspint levert een bloedstollend verhaal op, waarmee Spinder bewijst dat literaire kwaliteit en aantrekkelijkheid voor kinderen elkaar niet uitsluiten. Van der Geests werkwijze is tekenend. Afzondering is voor hem geen voorwaarde voor goede literatuur. Doelgroep is geen vies woord.

Dat komt misschien, zegt hij in een lunchcafé in zijn woonplaats Haarlem, door zijn ervaring als jeugdtheatermaker. Hij volgde een opleiding tot toneelschrijver en schreef een aantal voorstellingen voor kinderen, voordat hij als prozaschrijver debuteerde. „Kinderen zijn in het theater nog niet zo beleefd. Verslapt de aandacht, dan gaan ze zitten hannesen en wiebelen op die klapstoeltjes. Vaak is dat een teken dat het korter moet, of anders. Zo ben ik met mijn boeken ook aan het tryouten.”

Spelen de wensen van kinderen al een rol bij het besluit welk boek u gaat schrijven?

„Dat gaat vanzelf, vaak zit het al in het onderwerp. Het begint wel met een literaire uitdaging die ik mezelf stel. Maar minstens zo belangrijk is de vraag hoe dat verhaal tof wordt voor kinderen. Ik denk niet dat ‘literatuur’ en ‘een verhaal voor kinderen’ elkaar hoeven te bijten: het komt voort uit dezelfde bron. Voor ik Dissus schreef, vroeg ik me af wat de kern van de Odyssee was. Het gaat over vrienden, vond ik, over opgroeien, over rauzen met elkaar. Dat mixte ik tot een kinderboek met mijn eigen jeugdherinneringen op het Zuid-Hollandse platteland. Spelen in de hooiberg, avonturen beleven, angsten overwinnen.”

Een echt jongensboek.

„Heel bewust ben ik daar niet mee bezig, maar dat soort ‘jongensonderwerpen’ ligt me goed. Ik was het wel hartgrondig oneens met een schrijfster die me eens aanraadde om vooral voor meisjes te schrijven, want die lazen toch meer en dat verkocht beter. Ik dacht: nee, schrijf dan ik júist voor jongens! Als jongens met een weerzin tegen boeken geboeid raken door Spinder, word ik daar heel gelukkig van.”

Wat heeft u gedaan om Spinder aantrekkelijk te maken voor kinderen?

Spinder bestond eerst al als toneelstuk, met een minder omvangrijk verhaal. Het was een monoloog, en daardoor kwam ik op de dagboekvorm. Het toffe aan theater is dat je contact hebt met het publiek, dat direct reageert en zich verbonden voelt. Een boek kan dat alleen benaderen – maar ik wilde daar zo dicht mogelijk bij komen. Daarvoor gebruik ik nu de jij-vorm, waarmee de hoofdpersoon de lezer direct aanspreekt. Ik wilde het gevoel creëren dat je bijna kunt praten tegen het boek, en dat het boek zou terugpraten. Uit de proefversies die ik aan kinderen voorlegde kreeg ik terug dat ze dat heel spannend vonden.”

Het komt nog dichterbij met de tekeningen, droedels en balpentekeningen in de stijl van een 11-jarige.

„Voor Karst-Janneke Rogaar was het de eerste keer dat zij geen illustraties bij een tekst moest maken, maar echt vanuit de hoofdpersoon tekende. Ze moest in de huid van Hidde kruipen en tekenen wat hij als 11-jarige zou tekenen. Dat was voor haar ook bijna toneelspelen, denk ik. Haar inbreng hielp mij ook weer verder. Uit het theater ben ik gewend om met anderen aan een project te werken, elkaar feedback te geven. Als er meer mensen aan werken, wordt het beter.”

De Griffeljury die Spinder bekroonde pleitte voor een zuiver literaire beoordeling. Er zaten ‘geen kinderen aan de jurytafel’.

„Het is goed dat een jury oordeelt op literaire kwaliteit, want daardoor voelen schrijvers als ik zich gestimuleerd om het beste uit zichzelf te halen. Maar dat doe ik wel vóór kinderen. Anders is het net alsof je een superlekkere taart bakt maar hem bovenop de kast zet. Dan kunnen ze er niet bij. Een beetje hoog reiken is oké, als kinderen ervan groeien. Als ze er alleen maar kramp van krijgen denken ze: doei, ik ga wel voetballen.”

Voetballen – ook niks mis mee, toch?

„Zeker niet! Ik vind ‘sport’ als Kinderboekenweekthema heel goed, maar ik las ergens: ‘Leg je boek maar aan de kant...’ Nee, dat moet dus niet! Lezen is niet het tegenovergestelde van voetballen. Ze zijn allebei belangrijk. Het is voor kinderen biologisch noodzakelijk om te spelen en te stoeien. Net als een intensieve, fanatieke voetbalwedstrijd zijn boeken ook een manier om te oefenen met grote emoties. Dingen die je niet in het echt zou willen meemaken kun je wel in een boek ervaren.

„Het mooiste is als je moet lachen of huilen om een boek, dan is je verbeelding zo aangewakkerd dat je die emotie echt ervaart. En natuurlijk is voetballen ook gewoon lachen. Nog een overeenkomst met lezen.”

Simon van der Geest: Spinder. Querido, 232 blz. € 13,95. 10+