Knausgård verlaat ‘de mietjes’

Ook Noorwegen kent het hoge noorden en het diepe zuiden. Het noorden biedt rauwe ruimte, vrijheid, eenzaamheid. De mensen boven de poolcirkel kijken neer op de ‘mietjes’ uit het zuiden met hun halfzachte cultuur. In Nacht, het vierde deel van de romanreeks Mijn strijd van schrijver Karl Ove Knausgård (1968), trekt de achttienjarige hoofdpersoon naar de verste uithoek in het Noorse noorden.

Hij heet net als de auteur Karl Ove en neemt een betrekking aan als leraar. Maar het leraarschap is secundair. Deze jongeman wil met brandende ambitie schrijver worden; hij leest Kerouac, Salinger en Joyce. En is verslingerd aan popmuziek van U2, Bowie en Prince. Het eenzame gehucht Håfjord, omsloten door de bergen en vlak bij zee, biedt hem de mogelijkheid zijn gebroken familie te ontvluchten met een alcoholische vader en verdrietige moeder. Voor de Knausgårdianen zijn dit vertrouwde ingrediënten; en het resultaat is weer meesterlijke literatuur.

Het waarom daarvan is niet eenvoudig uit te leggen. Knausgårds obsessieve aandacht voor zijn verleden is weleens vergeleken met Prousts Op zoek naar de verloren tijd. Dat moet hemzelf ook zijn opgevallen, want opeens, halverwege Nacht, staat een verrukkelijke cynische terzijde over ‘koekjes, geuren en thee’ die iemands herinneringen aanwakkeren. De toon laat niets te raden over: Knausgård is een verbeten niet-Proustiaan. Hij zoekt de anarchistische vrijheid, de roes van de alcohol, de verdovende werking van keiharde muziek en de bedwelmende schoonheid van meisjes.

In Nacht varieert Knausgård opnieuw op hetzelfde thema als de eerdere delen: jongeman wil schrijver worden maar alles in de hele wereld werkt hem tegen. Dat is Knausgårds strijd, ofwel Min kamp. Schitterend beschrijft hij zijn entree in het dorp waar iedereen iedereen kent. Het wantrouwen beklemt hem. Hij wordt verliefd op een verleidelijke leerlinge, je zou zeggen: hoe kan het anders. Deze liefde wakkert een reeks dramatische eerste-liefde-herinneringen aan. Zo plaatst hij geluk tegenover wanhoop. Hierin schuilt Knausgårds grote talent: zijn verhaal lijkt uit te waaieren in alle richtingen, maar dankzij zijn snelle perspectiefwisselingen houdt hij de aandacht bladzijde na bladzijde gevangen.

Uit deze wervelende overvloed komt geleidelijk de schrijver naar voren die Knausgård zo hartstochtelijk wil zijn en na zijn veertigste, toen hij zijn schaamte overwon, ook werd. Knausgård is onweerstaanbaar.

Kester Freriks