In demensofengelweifelgedaante

De dichter peinst over de Hof van Eden, over ouderdom, universum en tijd. Hij mengt poëzie van Wordsworth en Trakl. Alles is mogelijk, maar ‘Van den beginne maak ik deel uit/ van het einde der dagen.’

De nieuwe bundel van Huub Beurskens heet Hotel Eden. In het eerste gedicht, ook het titelgedicht, legt hij kort uit hoe het ooit allemaal begon – met de Hof van Eden, God, een boom van kennis van goed en kwaad, een eerste mens en zijn vrouw, een gebod, en de verdrijving uit het paradijs.

De gevolgen zijn bekend: vanaf dan is het een zootje. ‘Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht, / dat we dol van woorden blijven dolen, kezen, / pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage.’ (Let intussen ook alvast op het lekkere ritme en de vlotte binnenrijmen met ‘kezen’ en ‘pezen’, ‘woorden’ en ‘moorden’.)

Het gekke is dat we wel weer terug willen naar die oase, die stille boerderij, die ‘plantage’ in Eden waarmee het ooit allemaal begon, en dat we daar, met onze nieuwe inzichten, opnieuw God willen ontmoeten. Is dat wel een goed idee?

Beurskens vraagt het zich af. Misschien worden we dan weer slaafse volgelingen, domme dieren, ‘ledenpoppen zonder wil’. Dus kiest hij niet voor de Hof van Eden, maar voor enige afstand: voor een hotel daar dicht in de buurt, ‘een kamer met uitzicht, op graven desnoods’. Wie niet in het eeuwige paradijs zelf wil wonen moet accepteren dat de dood in zijn leven aanwezig is.

Vanuit deze hotelkamer kijkt Beurskens in de rest van de bundel om zich heen. Er zit veel paradijsthematiek in, op allerlei manieren. In de vorm van een alledaagse stadsparkscène bijvoorbeeld, waarin de dichter in gesprek raakt met een spreeuw ‘in een van zonnespiksels doorglansde zomermorgenboom’, over de vraag of de spreeuw zelf wel wist van welke machtige spreeuwenzwermbewegingen hij de avond tevoren deel had uitgemaakt – ‘bruisfiguren, patronen van zwieren, / zwenken, wenden, keren, wielen, krimpen, kenteren en walen’. (Let intussen alvast op de vorm van de vervoerende opsomming en op vreemde woorden als ‘wielen’ en ‘walen’.) Of in de vorm van een gesprek tussen de mens en een God-achtige instantie die hier dan maar (we zijn immers niet in Eden zelf, alleen maar in het hotel van die naam) ‘Godalsdiezoubestaan’ wordt genoemd. Of in de vorm van de vrije vertaling van het gedicht ‘In paradise’ van Vladimir Nabokov, waarin Nabokov zich voorstelt dat hij, gedreven natuuronderzoeker, na zijn dood in het paradijs belandt en daar een nieuw, nog niet eerder beschreven exemplaar van de wilde engel aantreft – maar vervolgens tot zijn spijt moet vaststellen dat er in het paradijs geen bibliotheken, natuurhistorische musea, genummerde opgezette dieren en vakbladen bestaan.

Zonnespiksel

Het Eden-thema is hier dus ruim aanwezig. Parken, dieren, engelen, engelbewaarders, kinderen, kindertijd, muziek, lichtval, een sfeer van verrukking en vervuldheid – je zou hier en daar al haast van blijmoedige roomse poëzie gaan spreken. Daartegenover staat een meer beschouwelijker en nadenkelijker kant, waarin Beurskens van een afstand toekijkt, ook op zichzelf. Ouderdom, relativering, de dood, de plek van de aarde in het universum, de voorstelling van de tijd als een soort weeffout van de eeuwigheid – dat soort onderwerpen.

In ‘Alleenspraak in de herfst’ zit hij opnieuw in het stadspark, maar nu niet op een van zonnespiksels doorglansde zomermorgen, maar ‘in de warme oktoberzon’, om daar ineens, ‘met schrik’, te beseffen dat de herfstwespen en de kruisspinnen die hij daar ziet zich helemaal geen vorige herfst herinneren, en dat ook helemaal niet missen, ‘in tegenstelling tot jij nu’.

Dit is de schrik van het plotselinge besef dat hij tientallen najaren langer leeft, maar ook al die tijd weet dat er ooit een einde aan komt. Hij zegt het op bijbelse toon: ‘Van den beginne maak ik deel uit / van het einde der dagen.’ Maar hij voegt er meteen aan toe dat die gedachte nog steeds niet went. Het zorgt voor een bezonken moment. Er spelen kinderen in het park, maar ze lijken nu stiller, en ze klinken verder. Lees: langer dan Beurskens zal leven. Er liggen mensen in het gras, lekker in de najaarszon, maar hij moet denken aan hun dood.

Kuifje

De toon van Beurskens blijft altijd monter. Zijn formuleringen zijn vlot, licht, geestig, wendbaar. Ook wel grillig, maar dat is geen bezwaar. Hij heeft een voorkeur voor lange zelfverzonnen woorden. Ik noem de mensofengelweifelgedaante, de meiweiglorie en de vlinderwimpertippen. Hij wisselt snel van perspectief. Hij herschrijft oude gedichten van zichzelf, of hij schuift twee gedichten van Wordsworth en Trakl in elkaar tot één gedicht. Hij gebruikt een verhaal van Kuifje om zich vragen te stellen over tijd en snelheid.

Ik weet niet goed hoe je de gedichten van Beurskens overkoepelend zou moeten noemen, maar dat hoeft natuurlijk ook niet. Soms zijn ze heel prozaïsch en vertellend, soms zijn het stijloefeningen. Soms filosofisch, soms lyrisch. Hij doet mij met zijn religieuze beslommeringen nu weer eens denken aan Willem Jan Otten, dan weer aan Leo Vroman. Soms lijken het columns, maar soms ook wel nonsensverzen. ‘Er is geen beest met uit zijn zeven koppen kwalm, / [...] een grizzly wordt verorberd door een zalm.’

Hoe loopt het met de gast van Hotel Eden af? In het slotgedicht spreekt hij dan toch maar de hoop uit dat hij de engel die hem ooit de uitgang van de Hof van Eden heeft gewezen nog eens terug mag zien, later, ‘als er geen licht meer door het linnen dringt.’