Het leven als een niet-gebeuren

Als de dood een eind maakt aan een rampzalig huwelijk doemt de ravage van twee levens op. Wat mensen onderweg zoal kwijtspelen, wordt door Van Paemel indrukwekkend vastgelegd.

Tekening Paul van der Steen

Doodslaan, huis in brand, merg uit hels gebeente zuigen, duivelsplicht – de onderhuidse agressie van de langdurig voortgezette huwelijkse staat werd een eeuw geleden namens het manvolk geclaimd door de toen overigens nog volledig ongetrouwde jongeling Willem Elsschot. Een mens denkt onwillekeurig aan ‘Het huwelijk’ bij het lezen van de eerste pagina van Monika van Paemels nieuwe roman Weduwenspek. Terwijl buiten de zomer zindert, zit een vrouw aan het ziekenhuisbed van haar man. Sterven bij strandweer, net iets voor hem. ‘Het ziet ernaar uit dat hij haar op de valreep een laatste streek levert.’

Doodslaan is de moeite niet meer, ‘Herr Gleicher’ zoals hoofdpersoon Olivia haar echtgenoot noemt, is al buiten bewustzijn – maar wat had ze hem graag nog eens de huid vol gescholden. ‘Verstikt had ze lange betogen bedacht, op een dag zou ze haar gal spuwen, pal in zijn pedante facie, zodat hij er niet meer onderuit kon. Maar toen ze hem, toch nog onverwacht, aan het infuus zag liggen, met sondes als artificiële aders, wist ze niet meer waar te beginnen of wat te zeggen. Zij had het verleerd om hem aan te spreken en in stilte verzonken dreigde hij vrijuit te gaan. Je kwam altijd te laat om je gram te halen, alles voltrok zich altijd achteraf.’

Weduwenspek schetst het portret van een huwelijk en van het leven van Olivia, een lid van de naoorlogse generatie vrouwen die volwassen werden in de jaren van de tweede feministische golf en de seksuele revolutie, maar die ondanks alle emancipatoire ideologie nog gewoon gevangen zaten in een klassiek huwelijk met een man die alles van de wereld meende te weten. Al is klassiek niet helemaal het goede woord voor de verbintenis tussen Olivia en haar Herr Gleicher. Hij is monsterlijk, achttien jaar ouder dan zijn vrouw. Hij – een intelligente oudere hoogleraar die vol is van zijn eigen inzichten – spotte haar al toen zij nog minderjarig was en stak dadelijk zijn handen onder haar rokken. ‘Hij ging te ver, dat begreep ze best, en het ontstelde haar, maar ze wist niet hoe ze een einde aan zijn handtastelijkheid kon maken zonder zijn belangstelling te verliezen.’

Het is de eerste stap naar een langdurige ketening. Herr Gleicher blijkt een alcoholist, die minder tegenspraak duldt naar mate hij zelf minder te zeggen heeft. Voor Olivia’s carrière als modeontwerpster heeft hij niet de minste belangstelling, en ’s avonds neemt hij zelfs niet meer de moeite om zich te wassen voor hij straalbezopen bij haar in bed kruipt en doet waarop hij recht meent te hebben.

Ze walgt van hem, en terecht. Zijn familie is haar al even vijandig gezind. Die zet haar onder druk om zwanger te raken, maar hij wil geen kinderen. Wanneer Olivia uiteindelijk toch in verwachting raakt, eindigt de zwangerschap in een trauma. Nog jaren later interpreteert zij het Christusbeeld buiten het ziekenhuis als een man die met gespreide armen de kinderen buiten de deur probeert te houden.

De gevangenschap van Olivia’s huwelijk wordt gecontrasteerd door de Dolle Mina’s buiten, waarvan je eigenlijk verwacht dat ze Olivia óók zullen bevrijden, maar voor een dergelijke optimistische wending is bij Van Paemel (1945) geen plaats. Weduwenspek – de tiende roman van de vrouw die in de loop der jaren veranderde van de dochter van Louis Paul Boon in de moeder van Saskia de Coster – is geen roman waarin de bevrijding van de moderne vrouw in kaart wordt gebracht. Het is een boek waarin wordt uitgelegd waarom het daar niet van gekomen is.

Dat zet een merkwaardige rem op de vertelling, waarbij lang onduidelijk is waar het heen moet met deze roman. Natuurlijk staat de verhouding tussen Olivia en Herr Gleicher (een naam die toch al een zekere inwisselbaarheid suggereert) voor veel meer, voor de hele condition feminine, maar Van Paemel heeft een subtiele manier gevonden om het persoonlijke en het collectieve samen te brengen. Want Gleicher mag een schoft zijn uit een onmogelijke familie, hij is óók een Jood die aan de Holocaust is ontkomen.

Het knappe van Weduwenspek is dat Van Paemel die feiten wel signaleert – ze laat ook zien hoe de familie Gleicher Olivia met dat oorlogsverleden manipuleert – maar dat ze de verbanden nergens expliciet maakt. Achtergrond verklaart hier veel, maar rechtvaardigt niets.

Gleicher is een slachtoffer van de geschiedenis, maar nergens schrijft Van Paemel dat daarin misschien wel de reden schuilt dat Olivia toch bij hem blijft. En dat kan je weer uitbreiden tot de verhouding tussen mannen en vrouwen. Zich misdragende mannen zijn immers ook vanuit allerlei perspectieven (zeker hun eigen) als slachtoffer te zien. Zo schept Van Paemel nuance zonder te bezuinigen op de woede van haar hoofdpersoon. En zij wordt – ze is niet voor niets modeontwerper – ook nog door allerhande schoonheidsidealen achtervolgd.

Van Paemel omzeilt allerlei klippen van de geëngageerde, zeg maar feministische roman – maar ook in het kleine is Weduwenspek een prestatie. Het sterfbed van Herr Gleicher sterkt zich uit over de volle lengte van de roman, zonder dat er in het benauwde ziekenhuiskamertje méér voorvalt dan de komst van een nachtzuster of een non. Sterven is niet alleen iets wat een mens maar één keer doet, zoals Olivia opmerkt, een sterfbed is ook een plaats waar niets gebeurt. Het enige dat nog in het verschiet ligt (de dood) is meteen het einde van het proces.

Tussen de herinneringen van Olivia door heeft Van Paemel dat merkwaardige luchtledige aan het eind van een mensenleven, haarscherp weten te vangen. Er is een morfinepomp, waar ze niet aan durft te zitten, soms is er een multi-interpretabele rochel, er is veel tijd die vooral heel nadrukkelijk stil lijkt te staan. En er is ondanks alles een vorm van intimiteit, ‘omdat er tussen deze man en haar onzegbare dingen waren gebeurd en er een leven verloren was gegaan’.

Dat laatste verwijst naar een doodgeboren kind, maar geldt evenzeer voor het huwelijk van Olivia en Gleicher. Er is gewalgd, er wordt gehaat, maar uiteindelijk zijn hier vooral twee liefdeslevens verloren gegaan. Zo komt Olivia toch weer nader tot haar stervende echtgenoot, al beperkt Van Paemel zich tot registreren. Het is dan ook niet Elsschots ‘weemoedigheid’ waardoor Olivia wordt aangeraakt, dat zou een verplatting zijn van het subtiele gevoel waardoor Van Paemels heldin haar huwelijkslot uiteindelijk met enige kalmte beziet: ze onthult zelfs de voornaam van Herr Gleicher.

Zo gaat Weduwenspek uiteindelijk op indrukwekkende wijze over wat mensen onderweg kwijtspelen – de dingen die ertoe doen zijn de zaken die zijn uitgebleven: geen liefde, geen bevrijding, geen kind, geen vervulling. Dat alomtegenwoordige niet-gebeuren bekroont Van Paemel aan het eind van haar even weerbarstige als beklemmende roman met een in alle betekenissen adembenemende slotzin: ‘Ze werpt nog een finale blik op Herr Gleicher, hij ligt daar zo onberoerd, het lijkt alsof hij zijn laatste adem niet heeft uitgeblazen – maar ingehouden.’