Ga maar alvast bij een ziekenhuis wonen

Alleen in sprookjes leven ze lang en gelukkig. De realiteit is anders, schrijft Gijsbert van Es.

illustratie dario castillejos

Statistisch gezien heb ik nog dertig jaar te leven. Ik ben geboren in de laatste dagen van 1960. Volgens het CBS ligt mijn levensverwachting dan op 80 jaar. Voor de generatie boven mij ligt de levensverwachting ergens tussen de 85 en 90 jaar. Mocht ik kleinkinderen krijgen, dan komt voor hen de magische grens van honderd levensjaren in zicht. Demograaf Joop de Beer heeft dit berekend en deze week bekendgemaakt.

Er is iets gaande dat onze samenleving op z’n kop zet. Hoe gaan we dit land leefbaar houden voor relatief minder jonge en steeds meer oude mensen? Eén ding is zeker: de huidige senioren, en zeker ook de aanstormende cohorten, kunnen zich niet egoïstisch gedragen. Het is vrij recent dat ik over dit onderwerp nadenk – eigenlijk sinds ik zelf ‘50 plus’ ben. Dan tel ik mijn zegening van inspirerend werk en goede gezondheid. Maar weinig duurt eeuwig, en zeker niet een leven met een baan, zonder zorgen. Mijn oudere collega’s hebben vanaf 55 jaar recht op jaarlijks twintig extra vakantiedagen met behoud van salaris. Wat een luxe! Een vutregeling, voor ‘uittreden’ omstreeks 60 jaar, bestaat niet meer. Voor mij ligt de AOW-leeftijd op 67 jaar. Ik ben het er van harte mee eens dat ik ‘langer’ moet werken. Laten we ophouden met de koppeling van pensioenrecht aan leeftijd. Die 65 jaar is een mythische pensioengrens. Het is niet humaan een stratenmaker tot z’n 67ste te laten werken. Een boekhouder op een verzekeringskantoor kan het daarentegen best wat langer volhouden.

Ik zou zeggen: wie minimaal 40 en maximaal 45 jaar pensioenpremie heeft betaald, heeft recht op AOW en aanvullend pensioen. Voorbij is dan die discussie over de leeftijdsgrens. En natuurlijk moeten wij, oudere werknemers, akkoord gaan met loonsverlaging (‘demotie’). De kinderen van de meeste oudere werknemers zijn klaar met studeren. Hun hypotheken hebben ze al een heel eind afgelost. Dat geeft fors lagere maandlasten, en dus kunnen ze dan minder gaan verdienen. Mijn loon mag dalen, ook als ik een dezer jaren minder ga werken. Want ja, als ik dan toch tot mijn 67ste moet doorgaan, dan moet ik wel een beetje goed voor mezelf zorgen. Heus, ik loop nog zonder stok, maar ik merk wel dat ik wat vaker ‘geen gedoe aan mijn kop’ wil. Jongere collega’s willen ook wel eens op mijn stoel zitten. Als ik van vijf naar drie werkdagen ga, en andere oudere collega’s doen dat ook, dan maken we plaats voor jongeren met nieuwe ideeën en energie. Misschien zou ik moeten beginnen aan een nieuwe, tweede carrière. Waar zou ik me dan nuttig kunnen maken? In de ouderenzorg – voor die sector broeit iets in mijn hoofd.

Alleen in sprookjes bestaat een rechtstreeks verband tussen lang en gelukkig leven. Langer leven? De meeste mensen gaan later dood. In de praktijk betekent de langere levensduur pijnlijk vaak dat de laatste levensfase een langer gerekte periode is van ziek en hulpbehoevend zijn.

Er woedt in dit land een discussie over ‘voltooid leven’, over het zelfgekozen levenseinde. Uit principe steun ik de gedachte dat ieder mens recht heeft de regie te voeren over z’n eigen leven en eigen sterven. Zoals velen vrees ik alzheimer en een bedlegerig bestaan. Tegelijk wil niemand meemaken dat kinderen of dokters tegen zwakke ouderen zeggen: „We zijn wel veel tijd en geld aan u kwijt, dat kan makkelijker en goedkoper met één laatste pil.”

We lezen vaak: de zorg wordt onbetaalbaar. De zorg is dus een kostenpost. Zeker, maar niet alleen. Zorg is ook: mantelzorg, buurtzorg, zelfzorg. De honende reacties op de ‘participatiesamenleving’ vind ik flauw. Natuurlijk zullen we mensen binnen gezinnen, vriendengroepen en buurten moeten prikkelen zelf problemen op te lossen en voor elkaar te zorgen, los van de overheid, zorgsector en andere betaalde dienstverleners. Ben je liberaal (anti collectieve sector!), christen-democraat (middenveld!) of socialist (solidariteit!) als je dat vindt?

Als we straks massaal honderd kunnen worden, mogen we deze kwesties nu niet uit de weg gaan. Gelukkig hoef ik me nog niet af te vragen wie er straks voor me zal zorgen. Maar ik denk wel eens: over een jaar of vijftien kunnen we ons ruime huis maar beter verruilen voor een appartementje in de buurt van een station. En ook handig als wij dan wonen nabij een ziekenhuis en zulke voorzieningen. Plus wat vrienden/generatiegenoten om ons heen, zodat we een beetje naar elkaar kunnen omzien.