Een wonderkind, een twijfelaar en melancholicus

Het jong gestorven genie Georg Büchner (1813-1837) studeerde medicijnen, filosofie en fysica. Hij liet een klein, zeer modern oeuvre na, zoals het sociaal drama Woyzeck . Helaas kon zijn uitmuntende biograaf maar over dertig van zijn vele brieven beschikken.

Georg Büchner Schriftsteller D 1813-1837

Benijdenswaardig zijn de landen die over een grote literaire traditie beschikken. Het debat wordt er, anders dan in Nederland, niet uitsluitend bepaald door de jongste voortbrengselen – die zich al te vaak als eendagsvliegen ontpoppen. Neem Duitsland, waar dit voorjaar, als gevolg van ronde verjaardagen en nieuwe biografieën, drie 19de-eeuwse schrijvers volop in de belangstelling staan: de barokke humorist Jean Paul (ook wel de Duitse Laurence Sterne genoemd), de novellist-dichter Theodor Storm en het jong gestorven revolutionaire genie Georg Büchner.

De biografie over Georg Büchner (1813-1837) springt er uit: een waar kunstwerk, geschreven door de bekende literatuurwetenschapper en criticus Hermann Kurzke. Veertien jaar geleden publiceerde Kurzke zijn excellente Thomas Mann-biografie, een standaardwerk. Nu presenteert hij een studie over een schrijver die in veel opzichten de tegenpool van Mann is. Büchner heeft een klein, compact en uiterst modern oeuvre nagelaten, dat vooruitwijst naar de 20ste eeuw, toen de schrijver onder meer een icoon werd van de studentenbeweging.

Kurzke begint zijn studie in medias res, met Büchners in 1834 verschenen pamfletachtige strijdschrift Der Hessische Landbote , dat het beroemde motto Friede den Hütten! Krieg den Palästen! (‘Vrede voor de stulpen, oorlog voor de paleizen!). De schrijver nam hier bepaald geen blad voor de mond: ‘De justitie is in Duitsland al eeuwenlang de hoer van de Duitse vorsten.’ Geen wonder dat Büchner, die net daarvoor de geheime ‘Gesellschaft der Menschenrechte’ had opgericht, naar Straatsburg moest vluchten – en levenslang in ballingschap doorbracht.

Bewonderd en gewantrouwd

Pas na deze fulminante opening gaat de biograaf in op Büchners leven en werk. Georg Büchner werd geboren nabij Darmstadt in Hessen als telg van een gerenommeerde artsendynastie. Hij presenteerde zich al vroeg als wonderkind, studeerde in Giessen en Straatsburg medicijnen, filosofie en natuurwetenschappen. Nadat hij in Zürich was gepromoveerd op het zenuwsysteem van vissen werkte hij daar, als docent in de vergelijkende anatomie, bewonderd en gewantrouwd door zijn collega’s. Tot hij op amper 23-jarige leeftijd overleed aan een tyfusinfectie.

Büchner schreef een opvallend veelzijdig en gevarieerd oeuvre: het harde sociale drama Woyzeck versus de bijna sprookjesachtige romantische komedie Leonce und Lena (over twee zondagskinderen), de psychiatrische novelle Lenz tegenover het politieke toneelstuk Dantons Tod, waarin de kracht en het genie van de grote Franse revolutionair wordt gecombineerd met scepsis en het besef van zinloosheid.

Met zijn brokstukachtige dialogen, schrille taal en volkse elementen viel zijn oeuvre rond 1835 onmiskenbaar uit de toon. Het wijst vooruit naar het expressionisme van Frank Wedekind of Albert Ehrenstein alsook naar het naturalisme van Gerhard Hauptmann. Woyzeck inspireerde Alban Berg in 1925 tot zijn gelijknamige opera.

Worstelen om genade

De moderne trekken van Büchner werden ook door zijn bewonderaar Elias Canetti opgemerkt, die in een essay uit 1972 (in zijn bundel Het geweten in woorden) schrijft dat het jonggestorven genie zijn leven heeft veranderd ‘als geen andere schrijver’. Terecht wijst Canetti op de centrale betekenis van het begrip ‘angst’ binnen Büchners oeuvre (ook al zo’n modern, 20ste-eeuws thema, men denke aan Freuds verhandelingen over de angst en uiteraard aan Rilke en Kafka). Met name in Büchners geniale novelle Lenz vormt ‘angst’ een sleutelbegrip; het komt daar in gevarieerde samenstellingen vele keren terug.

In Lenz heeft Büchner zich vereenzelvigd met de schizofrene Sturm und Drang-schrijver Jakob Michael Lenz. Maar ook zijn vlucht uit Duitsland heeft hem geïnspireerd. Centraal staat het rusteloze leven van Lenz, voor wie per definitie ‘die Welt verhunzt’ (verprutst) is. Op zijn eenzame, winterse tocht door het gebergte, op weg naar Straatsburg, vindt de gekwelde Lenz onderdak bij een bevriende pastoor, waar zijn toestand heel even lijkt te verbeteren. Maar al snel wordt hij volledig overmand door hallucinaties, waanzin en angsten. Een toestand die stilistisch meesterlijk wordt weergegeven door elliptische zinnen en abrupte overgangen.

Hermann Kurzkes biografie is deels verrassend en vernieuwend. Hij corrigeert het bijna clichématige beeld van de schrijver, die vaak als revolutionair en agitator, als socialist avant la lettre wordt beschouwd. Dit beeld, aldus Kurzke, is niet in de laatste plaats ontstaan door Büchners familie en vrienden, die slechts veertig ‘politieke brieven’ overleverden van de in totaal driehonderd. Kurzke vindt deze visie te eenzijdig. Hij presenteert Büchner als een twijfelaar en een melancholicus: ‘Büchner had geen vastomlijnde revolutionaire theorie. Hij was meer sociaal-romanticus dan sociaal-revolutionair.’

Aan de hand van Büchners werk laat Kurzke gedetailleerd zien dat de schrijver sterk christelijk en religieus georiënteerd was – eerder metafysisch dan materialistisch. Büchners werk wemelt van de christelijke symbolen en citaten, van engelen en duivels, hemel en hel. Het getuigt volgens Kurzke ook van een permanent ‘worstelen om genade’, waarachter zich vermoedelijk veel schuldgevoelens en conflicten hebben verborgen.

Büchner had een uitgesproken slechte verhouding tot zijn vader, die ondanks de voortreffelijke intellectuele prestaties van zijn oudste zoon permanent misnoegd was. Pas toen de schrijver zich op 23-jarige leeftijd in Zürich ging wonen, werd de verhouding iets minder stroef.

Hermann Kurzke is een subliem kenner van de Duitse 19de eeuw, bovendien beschikt hij over een soepele pen. Het is een genot om deze studie te lezen. Zelfs over de mensaprijzen of het ingewikkelde promotiesysteem weet de biograaf enthousiast te vertellen. Uitvoerig gaat hij in op de geneeskunde en op de sociale en politieke omstandigheden in Hessen, waar de repressie overigens niet minder was was dan in andere delen van Duitsland. Op tien jaar tuchthuis had Büchner zeker mogen rekenen als hij op de vlucht naar Frankrijk was gearresteerd.

Veel documenten over Büchners leven zijn kwijtgeraakt of door zijn familie vernietigd of verminkt. De bronnen zijn ‘dubieus, ruïneus en fragmentarisch’, zo stelt de biograaf. Op veel plaatsen heeft hij moeten speculeren, leemtes moeten opvullen. Dat maakt het geheel nog indrukwekkender. Wie deze studie heeft gelezen, begrijpt meer van het fenomeen Büchner.