‘Amsterdammers hebben liberaal DNA’

De eeuwenoude typisch Amsterdamse tolerantie is een „geschenk aan de wereld”. Russell Shorto schreef er een boek over.

Russel Shorto is de ideale ambassadeur voor Amsterdam. Alleen al de ondertitel van zijn jongste boek: Geschiedenis van de meest vrijzinnige stad ter wereld. Zijn Amsterdamse vrienden schudden hun hoofd toen hij die voor hen oplas. Nee, vonden zij, dat zijn we nu niet meer.

Toch blijft de Amerikaanse schrijver met vuur de overtuiging uitdragen dat vrijzinnigheid (liberalism) een Nederlands, en meer in het bijzonder Amsterdams geschenk aan de wereld is. Amsterdam, schrijft hij, is „onmisbaar”. Waarom? „Omdat de oorsprong van het moderne individualisme in deze stad ligt.” En individualisme is in zijn ogen de bron van alle vooruitgang en beschaving: van de beurs die in 16de-eeuws Amsterdam werd uitgevonden (risico spreiden, profijt voor allen), tot de scheiding van kerk en staat van Spinoza, en het Witte Fietsenplan van de provo’s.

Deze week was hij een paar dagen over voor de presentatie van de vertaling van Amsterdam, die eerder verschijnt dan het origineel. In het voormalige hoofdkwartier van de West-Indische Compagnie hield Shorto zes jaar kantoor en nu zit hij hier weer, aan de rand van de grachtengordel – de fysieke uitdrukking van het Hollandse liberalisme. „Geen grootse stedenbouw voor prinsen of pauzen, maar huizen en straten op een menselijke schaal. Comfortabel voor iedereen, rijk of arm.”

De Nederlanders hadden al een „liberaal DNA” sinds ze gezamenlijk polders maakten en het nieuwe land ieder voor zich in cultuur brachten. Dat DNA leverde volgens Shorto door de eeuwen heen typisch Amsterdamse vormen van tolerantie op. De religieuze verdraagzaamheid in de 17de eeuw. Het gedogen in de 20ste. Volgens hem is het stramien steeds hetzelfde. Amsterdam staat in beginsel open voor alle nieuwigheden, hoe radicaal of ridicuul ook. „Maar ergens trekt de stad een lijn – dat zie je steeds weer. Job Cohen zei me: in Amsterdam staan we zoveel mogelijk toe. Tot het te gek wordt, dan perken we het weer een beetje in.”

Een wonderlijk idee, dat DNA. De jongeren die nu in een coffeeshop neerploffen, zijn de kleinkinderen van Amsterdammers die op een enkele uitzondering na de ariërverklaring ondertekenden toen de nazi’s daarom vroegen. En zij stammen weer af van de mensen die in de Gouden Eeuw Portugese joden in hun stad opnamen en hun al gauw toestonden hun geloof in het openbaar te belijden. Wie van hen heeft de liberale genen en wie niet?

De metafoor van het DNA, zegt Shorto, is vooral een hulpmiddel om het verhaal in gang te houden. Ook de Amsterdammers die het merendeel van hun joodse stadgenoten zagen wegvoeren of daar zelfs bij hielpen, waren wel degelijk tolerant – zij het met een „moral lapse” tot gevolg. „De tolerantie van Amsterdam is nooit ideologisch geweest, maar altijd pragmatisch. De stad was gewend ruimte te geven aan nieuwkomers met radicale ideeën. De nazi’s hadden die. Dan zou het fijn zijn als je tolerantie een krachtiger ideologisch fundament had.”

Geert Wilders maakt goed gebruik van dit dilemma, zegt Shorto. Lange tijd had de stad het misschien relatief eenvoudig in dit opzicht. De inwoners waren van nature tolerant en de nieuwkomers werden aangetrokken door de belofte van vrijheid en ruimte voor hun ideeën. De meeste immigranten die in de 20ste eeuw in Amsterdam kwamen wonen, zijn dat niet. „Zij komen uit culturen die juist sterk tegen tolerantie gekant zijn, die daar zwakte in zien.” Is dat waar zijn vrienden hun hoofd over schudden als ze de ondertitel horen? „Nee, zij hebben het gevoel dat Amsterdam zakelijker wordt, Amerikaanser.”