Stapelbedimperium

Tosca Niterink en Anita Janssen lopen de Caminho da Fé, een pelgrimsroute in Brazilië, en doen wekelijks verslag in woord en beeld.

In de keuken van de pousada do Tio João van Donna Natalina. Foto Anita Janssen

We zitten tussen knalgroene bergen die bekleed zijn met koffieplantages en weilanden. Hier en daar staan groepjes koeien, bleekwit als van porselein. Ze lijken zo uit de kerststal geplukt. Ik zie overal bloeiende bomen in paars, geel en rood. Er zijn struiken die én roze én oranje bloemen dragen, ik wist niet dat dat kon. Heel mooi, al krijg ik er hoofdpijn van als ik er te lang naar kijk.

We logeren in de pousada do Tio João van Donna Natalina, in het piepkleine gehuchtje Barra, waar we via São Roque da Fartura, Aguas da Prata en Andradas naartoe zijn gezweet. Een pousada is een pelgrimsherberg bij mensen thuis, een klein stapelbedimperiumpje van een vlijtige gelovige huismoeder die een beetje bijbeunt in haar woning langs de wandelpaden.

Op dit gedeelte van de Caminho da Fé begint het langzamerhand drukker met pelgrims te worden. De meesten op de mountainbike, maar we zijn ook al een handjevol wandelaars tegengekomen: Brazilianen en een groepje Koreanen. Als ik de gastenboeken in de pousada’s mag geloven, komen hier ook Japanners, Canadezen, Fransen, Duitsers – want die zitten overal – maar (nog) geen Nederlanders. Reken maar dat dat gaat veranderen. Annie en ik zijn het erover eens, dit is de mooiste tocht ooit. Het is retezwaar, maar wel goed te doen, goed voor je figuur, goed aangegeven met gele pijlen en in elk gat een logement.

We hebben de tent naar huis gestuurd: niet nodig en veel te eng om te kamperen. De duisternis valt binnen twee minuten in en dan begint het overal te ritselen, te kreunen en heel diep gorgelend te zoemen. Het oerwoud zit vol enge beesten: enorme kikkers, insecten, apen, wilde varkens en nog nader te definiëren reptielen en buideldieren met gemene oogjes en slagtanden.

O, lieve mensen, we hebben alweer zoveel enge dingen meegemaakt, deze week! Annie is gestoken door een wesp, ik door een horzel. We danken God dat we zo nu en dan naar de hondenfluisteraar hebben gekeken, want we moeten regelmatig hele roedels valse honden van ons afslaan en gisteren kreeg ik een loslopende stier achter me aan omdat hij boos werd op mijn oranje rugzak! „Niet rennen!”, riep Annie almaar. Nou, doe dat maar eens niet als je bang bent!

Het allerergste zijn hier de douches. Die verwarmen het water in de douchekop (als het al gebeurt). Dit gaat op elektriek en altijd via losse, niet-geaarde draden uit de muur. Je ziet die dingen regelmatig oplichten en kortsluiting geven. Annie heeft al een enorme schok gehad, dus ze mag van mij niet meer zonder rubber slippers gaan douchen. Ook beter in verband met met pelgrimsvoetschimmel!

De wc’s hebben geen stortbak, maar zijn aangesloten op de waterleiding. Als iemand de wc doortrekt terwijl je staat te douchen, valt het koude water weg, met alle brandwonden van dien. Bovendien komt er te weinig water de pot in om die zware frigollesdrollen (frigolles zijn bruine bonen die je hier elke dag te eten krijgt) weg te spoelen. We hebben al een paar keer een drol in een plastic zak mee de pousada uitgesmokkeld! Afzien dus tussen al dat moois.

Het zwaarst hebben wij afgelopen zaterdag moeten afzien tijdens een uitstapje naar Holambra, dat is een samentrekking van Holland, Amerika en Brazilië. Holambra is een Nederlandse kolonie van katholieke snijbloemtelers, uit Brabant en West-Friesland, want die werden hier in de jaren vijftig nog in grote groepen toegelaten. Hun meegebrachte koeien stierven aan tropische ziekten, dus stapten zij over op bloemen en andere Nederlandse succesproducten.

Zo vonden wij onszelf terug in de banketbakkerij van Martin Hollandeise en betrapte ik mijzelf erop dat ik tussen de spritsen, moorkoppen en pakken speculaas zat te filmen, terwijl ik een broodje Didam met pindasaus zat weg te werken.

Nu jij weer!