Ruimtes vol belofte

In Museum Kunstpalast in Düsseldorf is een overzicht te zien van foto’s die Candida Höfer maakte in die stad. Waaronder verrassend oud en informeel werk.

Candida Höfer, ‘Stahlhof Düsseldorf II’ 2012. C-Print, 180 × 209 cm. Foto Candida Höfer

Candida Höfer is de grande dame van de naoorlogse Duitse fotografie. Ze staat bekend om haar reusachtige afdrukken van monumentale publieke ruimten als concert- en theaterzalen, kerken en bibliotheken. Door hun formaat alleen al zijn ze uitnodigend; je hebt als toeschouwer het gevoel dat je niet alleen ervóór maar ook erin staat. Tegelijkertijd zijn ze afwerend: zo ijzingwekkend perfect, zo glimmend, en van elke menselijke aanwezigheid ontdaan. Verleidelijk en vervreemdend tegelijk.

Maar we weten nog lang niet alles van de inmiddels 69-jarige fotografe, blijkt op de tentoonstelling die onlangs in Düsseldorf openging. Het is geen regulier oeuvreoverzicht: het museum wilde alleen werk tonen dat gemaakt is in die stad, waar zij op de kunstacademie haar opleiding volgde. Dat levert geen blikvernauwing op maar juist een grote verruiming. Ze heeft namelijk zowel verrassend nieuw werk gemaakt in Düsseldorf als oud werk weer uit haar archieven te voorschijn gehaald. Sommige van die beelden waren nooit eerder getoond. Zowel het oude als het nieuwe laat een Candida Höfer zien die we nog niet kenden. Ze gaat terug in de tijd en maakt tegelijk een sprong voorwaarts.

Eind jaren zestig begon Höfer als autodidact te fotograferen voor kranten en tijdschriften. „Dat vond ik al snel te vluchtig”, zegt ze bij de opening in het Kunstpalast. „Al had ik op dat moment helemaal geen idee van de fotografie als kunst.” Vanaf 1970 – er waren nog geen fotografieopleidingen – liep ze eerst stage bij een fotostudio in Düsseldorf. In 1973 meldde ze zich aan bij de kunstacademie daar, noodgedwongen bij de filmopleiding.

Snapshots

Het was de tijd waarin de grote stroom Turkse gastarbeiders op gang kwam, en ze raakte geboeid door de manier waarop zij zich in de stad manifesteerden. De ondernemende jonge fotograaf ging erop af en legde hun leven in Duitsland vast: bij hen thuis in rommelige, intieme huiskamers; bij de wasserette, in het koffiehuis, op de markt, bij het busstation. Het zijn informele documentaire snapshots, een even invoelend als ontspannen verslaglegging van het leven van alledag van deze nieuwe gemeenschap met een heel andere esthetiek dan het gastland. De huiskamers zien er on-Duits uit, de letters op de ruiten van de cafés ook, de mannen zelf ook. Het werk heeft een frisse, onbekommerde nieuwsgierigheid naar andermans leven dat nu met de beladen discussie over immigratie haast onmogelijk zou zijn. En de Höfer-watcher denkt: is zij dat ook?!

Het Turkenproject werd in 1975 haar eerste tentoonstelling; ze koos toen als vorm een diaprojectie, en nu weer. Een groter contrast met haar bekende statige interieurs uit de wereld van de hoge cultuur is bijna niet denkbaar. Overigens is Höfer op voorstel van haar docent daarna Duitse bewoners en hun interieurs gaan fotograferen. „Maar ze waren zo vervelend, heel anders dan de Turken, dat ik toen meteen heb besloten niet meer in privésituaties te fotograferen”, vertelt ze tijdens een kort gesprek op de opening in Düsseldorf.

Het eindproduct van die filmopleiding moest een film zijn, en in datzelfde jaar maakte ze er dus een, samen met haar studiegenoot Tony Morgan. Ze gingen in een bekende ijssalon zitten en filmden elkaar om beurten terwijl ze een kop koffie dronken. Het is een vrolijk niemendalletje, een moetje voor school, maar ook hier zien we een verrassende kant van Höfer. Ze is een druk lachend, bijna koket personage in haar eigen film, die een beetje gek doet omdat ze zich geen houding weet te geven. Bijna veertig jaar later heeft de gereserveerde, gevestigde kunstenaar daar helemaal geen last meer van. Het is bij dit ene filmpje gebleven: „Ik wist toen al dat ik fotograaf was en geen filmer.”

In 1976 ging ze alsnog fotografie studeren bij Bernd Becher, die samen met zijn vrouw Hilla met hun planmatige, objectieve registraties van industriële gebouwen de fotografie diepgaand heeft beïnvloed.

Het is veelzeggend dat Höfer tot zijn opleiding werd toegelaten op basis van haar Turken-serie, maar dat de foto’s daarna tot 1992 verdwenen uit haar repertoire. En nu weer te zien zijn op deze tentoonstelling, waar zeven series op platte beeldschermen worden geprojecteerd. „Ik heb in het begin onderzocht of het niet mogelijk was om de ouderwetse ‘klak’ van de diacarrousel erin te brengen”, zegt ze, „maar het was geen goed idee. Ik heb helemaal geen moeite met de overgang van analoog naar digitaal. In wezen ben ik niet geïnteresseerd in de techniek, maar in het resultaat. Digitale fotografie heeft grote voordelen: de camera’s zijn handzamer, de afdrukken zijn scherper.”

Abstractie

Op deze tentoonstelling is natuurlijk werk, ook nieuw gemaakt foto’s, te zien zoals we van haar kennen: monumentale, frontaal vastgelegde interieurs van het Schauspielhaus, van een moderne kunstgalerie, van het barokke Benrather Schloss. Maar er is iets nieuws bijgekomen: abstractie.

Van de achttien nieuwe werken hangen twee opvallende achterin, groot afgedrukt, tegenover elkaar. Het is het trappenhuis, zowel van bovenaf als van onderaf gefotografeerd, van het Neuer Stahlhof, een gebouw uit de jaren twintig dat als bakermat van de staalindustrie geldt. Enerzijds typisch Höfer in die zin dat ze er niets aan heeft toegevoegd en alleen met het aanwezige licht heeft gefotografeerd – dat neutrale, directe wat ze van de Bechers heeft geërfd – maar ook verrassend vrij en sierlijk van vorm. Ook opvallend vrij van vorm is de grote foto die ze maakte van de storyboard van een tentoonstelling in het Kunstpalast over negentiende-eeuwse fotografie. Alle foto’s die in de tentoonstelling komen, worden als postzegels heen en weer geschoven om tot een indeling van de tentoonstelling te komen. Rommelig, intuïtief, een verhaal in wording – kennelijk wil ze zelf na al die affe, gave interieurs van deftige gebouwen plekken en beelden zien waar nog beweging en ontwikkeling in zit.

Ze is ook gaan fotograferen in de woontoren het Dreischeibenhaus, een interieur van spiegelend materiaal dat op beweeglijk water lijkt. Op één foto is vaag haar eigen reflectie te zien – voor het eerst sinds de jaren zeventig, toen ze een hele serie maakte van haar eigen weerspiegeling in etalageruiten, is Candida Höfer fysiek terug in haar eigen werk.

Höfer fotografeert in gebouwen, maar heeft zichzelf nooit als architectuurfotograaf geafficheerd. Net zo stellig als ze zegt dat de techniek achter de fotografie haar niet interesseert, zegt ze dat geen oog heeft voor architectuur terwijl ze bezig is het af te beelden. Haar belangstelling gaat verder dan de architectuur, naar het geheel van ruimte, licht, de belofte van wat zich daar zometeen gaat afspelen als de deuren opengaan en de bezoekers, luisteraars, lezers, kijkers binnenstromen.

In haar eigen bijdrage aan de catalogus schrijft ze dat deze tentoonstelling de katalysator is geweest van een verandering in haar werk, dus ook in haar zelf. Die verandering manifesteert zich op drie manieren, schrijft ze. In opluchting: met het verstrijken van de tijd wordt alles eenvoudiger. In verlies: aan spontaniteit, nu ze zich door de jaren heen steeds acuter bewust wordt van het hele proces dat aan het maken van een foto voorafgaat. Maar tot slot is er de verwachting dat er „voorbij datgene wat men al gedaan heeft, altijd iets ligt wat men kan gaan doen”.

Candida Höfer is nog lang niet klaar.

Candida Höfer: Düsseldorf. T/m 9 febr. in Museum Kunstpalast, Ehrenhof 4-5, Düsseldorf. Inl: smkp.de