Menselijke organen in dieren kweken, benut die kans toch

Stamcelonderzoek verbieden is voorbarig, vinden Guido de Wert, Niels Geijsen en Wybo Dondorp.

Er is een nijpend tekort aan donororganen voor transplantatie, met als gevolg lange wachtlijsten en vermijdbaar overlijden. In Japan en de VS wordt een technologie ontwikkeld die het kweken van menselijke organen in dieren mogelijk maakt. Minister Schippers wil de techniek verbieden. Een ongefundeerd voornemen, potentieel schadelijk.

Waar gaat het om? De nieuwe techniek maakt gebruik van zogenoemde geïnduceerde (‘induced’) pluripotente stamcellen (iPS-cellen). Deze stamcellen worden in het laboratorium gemaakt uit huidcellen van een patiënt. iPS-cellen hebben de eigenschap dat ze kunnen uitgroeien tot alle typen weefsel. Helaas zijn veel organen te complex om ze met huidige technieken in het laboratorium te maken, maar wanneer iPS-cellen worden geïnjecteerd in een dierlijk embryo kan dit wel. Er ontwikkelt zich dan een dier met een menselijk orgaan, een zogenaamde chimaera. In diermodellen is het al gelukt op deze manier functionerende organen te maken. De hoop is dat ‘organ pharming’ in de behoefte voor menselijke organen gaat voorzien, waarmee wachtlijsten voor transplantatie tot het verleden zullen behoren. Onderzoek hiernaar is nog pril. In de Evaluatie van de Embryowet (2012) wordt de vraag gesteld hoe onderzoek naar deze methode zich verhoudt tot het verbod in art. 25b van de Embryowet. Daar staat: ,,Het is verboden een uit menselijke en dierlijke embryonale cellen tot stand gebrachte chimaera in te brengen in een dier”. Deze formulering lijkt niet van toepassing op iPS-cellen – dat zijn immers geen embryonale cellen. Volgens het evaluatierapport is het belangrijk dat de wetgever hierover helderheid schept. Als de hierboven genoemde methode om organen te kweken onder de reikwijdte van het verbod valt, moet de wetgever zich volgens het rapport bezinnen op de vraag of dat niet te streng is, gezien het mogelijk grote belang van dit onderzoek voor de patiëntenzorg. Als het verbod niet van toepassing is, moet de wetgever zich afvragen of een vorm van regulering van dergelijk onderzoek wellicht toch nodig is. Duidelijk is in ieder geval dat een nadere ethische discussie nodig is over het maken en gebruiken van dergelijke mens-dier-combinaties.

De minister heeft onlangs gereageerd. Zij kondigt aan dat de Embryowet wordt aangepast zodat ook dit onderzoek onder het verbod valt. Zij wil echter tegelijk de wetenschappelijke ontwikkelingen nauwlettend blijven volgen; als dit soort mens-dier-chimaeren inderdaad een belangrijke vooruitgang kan betekenen, wordt nader bezien of het (voorgenomen) verbod moet worden gehandhaafd.

Dit verbod is voorbarig. Om te beginnen staat de maatschappelijke discussie, net als de technologie zelf, nog in de kinderschoenen. Het is nog maar de vraag of mogelijke bezwaren of zorgen (dierenwelzijn, menselijke waardigheid, gezondheidsrisico) steekhoudend zijn. Bovendien is het niet sterk om in één adem een verbod aan te kondigen en tegelijk expliciet aan te geven geïnteresseerd te zijn in de uitkomsten van in het buitenland verricht onderzoek. Waarom niet de ruimte geven aan onderzoekers in ons land?

Ten slotte: tal van voorbeelden laten zien hoe lastig en tijdrovend het kan zijn om een eenmaal uitgevaardigd verbod op te heffen. Veel beter is het, zoals bepleit in de evaluatie, om een nadere ethische discussie te voeren (en te faciliteren) over de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden deze nieuwe manier om aan organen te komen, aanvaardbaar is. De mogelijke voordelen voor patiënten zijn zo groot, dat het al bij voorbaat verbieden van deze techniek een onvoldoende doordachte maatregel is.

Guido de Wert en Wybo Dondorp zijn hoogleraar respectievelijk onderzoeker Biomedische Ethiek aan de Universiteit Maastricht en co-auteurs van de (tweede) Evaluatie Embryowet. Niels Geijsen is hoogleraar Regeneratieve Geneeskunde aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij het Hubrecht Instituut voor Ontwikkelingsbiologie en Stamcelonderzoek.