Leuk, 100 worden. En dan? 100

Kinderen die nu worden geboren hebben een grote kans om honderd te worden De hoogste tijd eens na te denken over de rest van je leven Iemand die halverwege de 100 is, loopt drie belangrijke kwesties langs

Verslaggever

Vandaag kan een tram mij zomaar vermorzelen. Maar statistisch gezien heb ik nog zo’n dertig jaar te leven. Ik ben geboren in de laatste dagen van 1960. Volgens rekensommen van het CBS ligt mijn levensverwachting op 80 jaar. Op mijn voorhoofd prijkt dus een etiket met: ‘Houdbaar tot circa 2040.’

Mijn kinderen zijn begin jaren 90 geboren. Hun levensverwachting ligt ergens tussen 85 en 90 jaar. Mocht ik kleinkinderen krijgen, dan komt voor hen de magische grens van gemiddeld honderd levensjaren in zicht.

Honderd!

Henk Krol, van de partij 50Plus, leest u even mee? Er is iets gaande, onafwendbaar, onomkeerbaar, dat onze samenleving op z’n kop zet. We zullen dit land leefbaar moeten houden voor relatief minder jonge en steeds meer oude mensen.

Hoe? Moeilijke vraag. Maar één ding is zeker: de huidige senioren, en zeker ook de aanstormende cohorten, kunnen zich niet egoïstisch gedragen. Zo van: ik heb toch AOW-premie betaald en nou zal ik het tot de laatste cent opeten, opdrinken en oproken! Van je 67ste tot je 100ste een Zwitserleven-gevoel voor iedereen – het zou misschien mooi zijn, maar wie moet het betalen?

Het is vrij recent dat ik over dit onderwerp nadenk – eigenlijk sinds ik zelf de grens van 50 jaar gepasseerd ben. Dan denk ik na over m’n fijne werk, goeie gezondheid en gelukkige huwelijk. Pluk de dag! Maar toch ook wel: Memento mori. Laten we de drie kwesties even langslopen.

Werk: deeltijd of een nieuwe stap?

Mijn oudere collega’s hadden vanaf 55 jaar recht op jaarlijks twintig extra vakantiedagen (‘ouwelullendagen’, noemden we die), maar die zijn geloof ik afgeschaft. Omstreeks je 60ste met VUT? Bestaat niet meer. Voor mij ligt de AOW-leeftijd nu op 67 jaar.

Ik ben het er van harte mee eens dat ik ‘langer moet werken’. Die 65 jaar is een mythische pensioengrens, ergens in de tweede helft van de 19de eeuw ontstaan, toen de meeste mensen al voor hun 65ste dood waren.

Laten we ophouden met de koppeling van pensioenrecht aan leeftijd. Het is niet humaan, en al helemaal niet haalbaar, een stratenmaker tot z’n 67ste te laten werken. Een boekhouder op een verzekeringskantoor, afdeling glasschade, kan het daarentegen best wat langer volhouden.

Ik zou zeggen: wie minimaal 40 en maximaal 45 jaar pensioenpremie heeft betaald, heeft recht op AOW en aanvullend pensioen. Voorbij is dan die zeurende discussie over de leeftijdsgrens.

En over gezeur gesproken: natuurlijk moeten wij, oudere werknemers, akkoord gaan met loonsverlaging (‘demotie’). De kinderen van de meeste, oudere werknemers zijn klaar met studeren. Hun hypotheken hebben ze al een heel eind afgelost. Dat geeft fors lagere maandlasten, en dus kunnen ze dan minder gaan verdienen.

Mijn loon mag dalen in de komende jaren, ook doordat ik van plan ben minder te gaan werken. Want ja, als ik dan toch ‘tot mijn 67ste moet doorgaan’, dan moet ik wel een beetje goed voor mezelf zorgen. Heus, ik loop nog zonder stok, en ik mag nog alles eten van de dokter, maar ik merk wel dat ik wat vaker en wat langer ‘geen gedoe aan mijn kop wil’.

Ik begin een beetje last te krijgen van die permanente stroom e-mail, voicemail, sms, Facebook, Twitter en andere ruis die de hele dag op me afkomt. Oplossing: minder multitasken, minder vaak mezelf blootstellen aan ‘van alles tegelijk door elkaar’.

Mijn jongere collega’s willen ook wel eens een generatiegenoot op mijn stoel zien zitten. Als ik van vijf naar drie dagen ga, en andere oudere collega’s doen dat ook, dan maken we ruimte voor jongere mensen, met nieuwe ideeën en energie, en krijgt het bedrijf er een hoop dynamiek bij.

Of, het hoge woord moet er maar uit: zou ik eens moeten beginnen aan een hele nieuwe, tweede carrière? Waar zou ik me dan nuttig kunnen maken? Iets in de ouderenzorg – voor die sector broeit iets in mijn hoofd. Of voor het middelbaar beroepsonderwijs. En natuurlijk begrijp ik dat de salarissen daar wat lager kunnen liggen. Headhunters, kom maar op!

Zorg: wie zorgt er straks voor wie?

Alleen in sprookjes bestaat een rechtstreeks verband tussen lang en gelukkig leven. Langer leven? – nee, de meesten gaan later dood. In de praktijk betekent de langere levensduur pijnlijk vaak dat de laatste levensfase een langer gerekte periode is van ziek en hulpbehoevend zijn.

Er woedt in dit land een discussie over ‘voltooid leven’, over het zelfgekozen levenseinde. Uit principe steun ik de gedachte dat ieder mens het volste recht heeft de regie te voeren over z’n eigen leven, en daarmee dus ook over z’n eigen sterven. Zoals velen vrees ik alzheimer en een bedlegerig bestaan. Tegelijkertijd wil niemand wonen in een land waarin kinderen of dokters tegen zwakke ouderen zeggen: ‘We zijn wel een hoop tijd en geld aan u kwijt, dat kan makkelijker en goedkoper met één laatste pilletje...’

We horen en lezen vaak: ‘de zorg wordt onbetaalbaar’. De zorg is dus een kostenpost. Zeker, dat is het, maar niet alleen. Zorg is ook: mantelzorg, voor elkaar zorgen, buurtzorg, zelfzorg.

De honende reacties op de ‘participatiesamenleving’ vind ik flauw en bekrompen. Natuurlijk zullen we mensen binnen gezinnen, families, vriendengroepen, buurten en verenigingen moeten prikkelen en uitdagen zelf problemen op te lossen en voor elkaar te zorgen, los van de overheid, de zorgsector en andere betaalde dienstverleners. Ben je dan een VVD’er (tegen een te grote collectieve sector!), CDA’er (maatschappelijk middenveld!) of PvdA’er/SP’er (solidariteit!) als je dat vindt?

Als we straks massaal honderd kunnen worden, mogen we deze kwesties niet uit de weg gaan. Gelukkig hoef ik me nu nog niet af te vragen wie er straks voor me zal zorgen. Maar ik denk wel eens: over een jaar of vijftien kunnen we ons ruime huis in de buitenwijk maar beter verruilen voor een appartementje op een paar minuten lopen van een station.

Tegelijk komen er dan meer grote huizen op de markt voor jongere generaties, wat de prijs doet dalen. Dat mes snijdt aan twee kanten. En ook handig als wij dan wonen in de buurt van een ziekenhuis en dat soort voorzieningen. Plus wat vrienden/generatiegenoten, zodat we een beetje naar elkaar kunnen omzien.

Relatie: na jou een ander?

Dit brengt, tot slot, misschien wel de meest beklemmende gedachte in beeld van langer leven en véél ouder worden: zullen we ook samen oud kunnen worden? Of leef ik ooit weer helemaal alleen, na vele tientallen jaren met partner en kinderen. Ga ik dan daten? Ga ik dan ‘interessante mensen ontmoeten’, op zo’n bootreis met NRC-lezers, zoals ik ooit single op de studentenvereniging rondhing?

Deze gedachte schuif ik liever ver voor me uit. Maar voor het overige ontkomt mijn generatie er niet aan nu al na te denken over werk en gezondheid, over ontspannen en monter oud worden – om niet te eindigen als een verongelijkte, uitgebluste 80- à 100-jarige.