Koortsige film-noirverhalen in houtskool

Rinus Van de Velde, ‘He moved to Europe in 1971....’, 2013. Houtskool op doek, 150 × 265 cm.

Niemand slaagde erin langer dan tien minuten binnen te blijven tijdens de opening van Rinus Van de Veldes nieuwe expositie The Story of Frederic, Conrad, Jim and Rinus. Het leek alsof heel hip en jong Antwerpen was afgezakt naar de Tim Van Laere Gallery; de temperatuur in de twee zalen werd al snel ondraaglijk.

Enkele dagen later voelt het er nog steeds een beetje beklemmend, ditmaal niet door een gebrek aan zuurstof, maar door de sfeer die de houtskooltekeningen van Van de Velde uitademen. Op zestien grote (225 × 400 cm) en minder grote (55 × 70 cm) werken staan vier mannen afgebeeld. Ze hangen rond bij enkele blokhutten waar ze mijmeren, schilderen of schaken.

De steeds terugkerende personages in deze expositie zijn alter ego’s van de kunstenaar, twee van zijn vrienden, ‘de schrijver’ en ‘de filosoof’, en zijn galeriehouder Tim Van Laere. Op de muren en de werken staan teksten van Koen Sels: pseudo-dagboekzinnen als ‘We’re on the inside, I will tell my friends tomorrow. We have to keep the outside out and carry on.’

De sfeer is die van een film noir. Scènes die op het eerste gezicht weinigzeggend zijn – de schrijver verorbert met zijn handen een schaal spaghetti terwijl de galeriehouder van op een afstandje toekijkt; Van de Velde trekt zijn broek op bij een buitentoilet, terwijl zijn vrienden naast hem op een bankje een appel eten – hebben toch iets onbehaaglijks. Het filmische karakter ontstaat door de donkere houtskool met felle witte accenten en de afwisseling van overzichtsbeelden en prachtige ‘close-ups’ van bijvoorbeeld de slapende Van de Velde. Koortsig, ijlend ligt hij bovenop een stapel boeken. Maar ook door de teksten over levens die niet liepen zoals ze gepland waren: de statige galeriehouder blijkt ooit een getalenteerd tennisspeler te zijn geweest.

Van de Velde (Leuven, 1983), beeldhouwer van opleiding, speelt graag met de grens tussen fictie en realiteit. Een eerdere expositie bestond uit dertien portretten van zichzelf als andere personen, zoals de dichter Vladimir Majakovski en de schaakgrootmeester Bobby Fischer. Voor deze expositie liet hij zijn vrienden echte blokhutten bouwen, vroeg hen erin plaats te nemen, fotografeerde de scènes en tekende deze na. In de Vlaamse krant De Standaard vertelde Van de Velde dat hij hen de hutten in een speciale studio liet bouwen, niet in een bos: „Ik vind het belangrijk dat je het realisme voelt en tegelijk ziet dat het een constructie is. Zoals heel mijn werk een constructie is. Of fictie die realiteit probeert te zijn.”

Houtskool is geen evident materiaal voor grote werken, maar Van de Velde beschildert zijn canvas met meerdere lagen witte verf voor hij begint te schetsen, waardoor zijn tekeningen iets glads en schilderachtigs krijgen. Vage achtergronden – de structuur van hout laat zich verrassend goed vastleggen in houtskool – combineert hij met de expressieve, vaak wat verwilderde gezichten van zijn kennissen. Van de Velde creëert zo een geheel eigen wereld waar je gefascineerd naar kijkt, maar waarin je zelf niet hoopt terecht te komen.