Duckstad Utrecht, na ons de stroperigheid

Deze week bestaat Hoog Catharijne veertig jaar. Als je ziet hoeveel bestuurlijke hordes een gemeentebestuur tegenwoordig moet nemen voor er kan worden begonnen met de bouw van een sporthal, poptempel of parkeergarage, vraag je je af hoe een provinciestad als Utrecht het in hemelsnaam voor elkaar kreeg: een vierkante kilometer van het centrum, inclusief tal van historische gebouwen, ging tegen de grond ten gunste van een betonklos van megalomane proporties. Een stedenbouwkundige meteoriet, ingeslagen op de verkeerde planeet.

Zoiets kan alleen met heel veel naïviteit of heel veel smeergeld. Vermoedelijk was het een combinatie. Jan de Vries, directeur van Bredero’s Bouwbedrijf en motor achter het project, kwam in opspraak vanwege dubieuze declaraties ten bedrage van zes ton. Tegen de voorzitter van de commissie die dit in 1984 onderzocht zei hij: ‘Mijn geheugen is zo belast met interessante zaken dat ik dat niet meer weet.’

Wie zich bekreunt over de oneindige procedures en jarenlange vertragingen waarmee grote bouwprojecten tegenwoordig gepaard gaan, en de enorme budgetoverschrijdingen die daar dan weer uit voortkomen, hoeft niet naar een Chinese spookstad af te reizen om de trieste keerzijde van die medaille te zien, maar slechts op Utrecht CS uit de trein te stappen en naar Achter Clarenburg te lopen. Als Hoog Catharijne een grafzerk was, zou het opschrift moeten luiden: ‘Na ons de stroperigheid.’

Ik groeide op in Utrecht en was tegen. Tegen de sloop van de Stationswijk, een vrijplaats voor krakers, tegen het dempen van de Catharijnesingel, tegen de afbraak van De Utrecht, het enige Jugendstilgebouw van de stad (Wikipedia: ‘Het stond ongeveer waar zich thans de afhaalbalie van de Media Markt bevindt.’), tegen de smakeloze non-architectuur die ervoor in de plaats kwam en tegen het idee, natuurlijk, van zo’n kolossale consumptietempel. We plakten een muurkrant met antipropaganda, ageerden tegen de ontruiming van kraakpanden (enkele werden gered) en demonstreerden bij de opening, door prinses Beatrix, maandag veertig jaar geleden. Voor een van mijn eerste grote projecten als journalist verbleef ik maanden onder de kleurrijke populatie van daklozen, verslaafden en straatslijpers die het labyrint inmiddels had aangetrokken. Waarschijnlijk wilde ik postuum het bewijs leveren dat er inderdaad geen zegen op het complex rustte.

Behalve een symposium zijn er voor dit jubileum geen feestelijkheden, zover ik heb kunnen nagaan. Niemand houdt van Hoog Catharijne, behalve misschien die verstekelingen wier ‘overlast’ uiteindelijk de reden vormde voor de renovatie die nu bezig is. De digitale promotievideo vertoont een treffende gelijkenis met het analoge filmpje van destijds: Duckstad zal een droomstad worden, maar de werkelijkheid zal anders zijn.

Ter compensatie van al dat commerciële vastgoed mocht Herman Hertzberger aan de rand van het rampgebied een muziekcentrum bouwen. Ook dat mislukte overigens, alsof het barbarisme van de omgeving hem uit zijn spel haalde; het wordt nu grotendeels gesloopt. Op een balkon plaatste hij het bekende beeld van Henri Scholtz uit de gevel van De Utrecht, de ‘Verzekeringsengel’, een laatste herinnering aan de allure van een gebulldozerd verleden.

Misschien is dat wel de grootste tragiek van Hoog Catharijne: de ongekende schaal werd slechts overtroffen door de liefdeloze lelijkheid van letterlijk elk onderdeel. Er waren diverse architecten van naam bij het project betrokken, maar het is alsof ze elkaar geneutraliseerd hebben. This is not writing, this is typing, zei Truman Capote over het proza van Jack Kerouac. Hetzelfde geldt voor Hoog Catharijne: dit is geen architectuur, dit is bouw. Van iets dat werkt kun je voor lief nemen dat het lelijk is, van iets moois kun je accepteren dat het slecht werkt. Het beton van Hoog Catharijne blokkeert beide uitwegen.

Jan Kuitenbrouwer is schrijver en directeur van de Taalkliniek (taalkliniek.nl).