De euro is weer weg van teruggeweest

2022. Dat was het jaar waarin de euro de Amerikaanse dollar van de troon had kunnen stoten als internationale reservemunt. Dat was een scenario waarmee de Amerikaanse denktank NBER (National Bureau of Economic Research) in 2005 rekening hield, nadat economen Jeffrey Frankel en Menzie Chinn er een onderzoek aan wijdden. Belangrijkste voorwaarden voor de machtsgreep van de euro: de niet-eurolanden zouden per 2020 de munt alsnog hebben ingevoerd, inclusief het Verenigd Koninkrijk. En het Amerikaanse economische beleid moest blijven bijdragen aan de ondermijning van de dollar zelf. Destijds, nog maar acht jaar geleden, hadden de Amerikanen een steil oplopend tekort op de betalingsbalans en kalfde de waarde van de dollar af. De euro was daarentegen op weg naar boven: in 1999 was 22 procent van alle wereldwijde deviezenreserves nog in euro’s, rond 2005 was dat 25 procent.

Het kan beide economen niet kwalijk worden genomen dat hun scenario anno 2013 verder weg lijkt dan ooit. De belangrijkste voorwaarden voor hun schets kwamen niet uit: het Verenigd Koninkrijk zal de euro niet invoeren. Sterker nog, het land wacht, volgens belofte van premier Cameron, een referendum over het EU-lidmaatschap zelf. En de dollar blijkt nog steeds de munt waarin banken, bedrijven en beleggers het liefst een veilig heenkomen zoeken. Precies wat er gebeurde toen de opkomende markten in de afgelopen twee maanden even wankelden.

De opmars van de euro is een bescheiden terugtocht geworden. Eind vorig jaar daalde het aandeel van de Europese munt in de mondiale valutareserves naar 24 procent, aldus het jaarlijkse rapport waarin de Europese Centrale Bank de rol van de euro bijhoudt: The international role of the euro, waarvan de laatste editie van juli dit jaar stamt. Dit percentage is nauwelijks groter dan in 2000.

Er is meer: als voor valutaschommelingen wordt gecorrigeerd, was het aandeel van de euro in de internationale schuldenmarkten 24 procent in 1999, piekte op 32,6 procent in 2005 en is nu weer terug op 25,5 procent. En dan moest de telling van omzetten op de valutamarkt, die de bank voor Internationale Betalingen (BIS) elke drie jaar verricht nog komen. Onlangs werden daar de eerste resultaten van vrijgegeven, met verdere details aanstaande december. De eerste conclusies: de dagomzet op de valutamarkt groeide omgerekend 4.000 miljard dollar in 2010 naar 5,300 miljard in april van dit jaar (de peilmaand). Voor een valutatransactie zijn logischerwijs twee munten nodig. De dollar maakt deel uit van een overweldigende 87 procent van al die paren, en dat is per saldo onveranderd ten opzichte van het aandeel van 86,8 procent in 1998. De euro bestond toen nog niet, maar maakte in 2001 al 37,9 procent uit van alle verhandelde valutaparen. Dat aandeel is in 2013 gezakt tot 33,4 procent. Erger nog: dollar/eurotransacties waren destijds nog goed voor 30 procent van alle transacties, tegen 24 procent nu.

De dollar blijft, in de woorden van de BIS ‘dominant’. En de euro? Die zal moeten opboksen tegen een nieuwe kid on the block: de Chinese renminbi. In 2010 maakte die nog deel uit van 0,5 procent van de totale omzet op de valutamarkt, in 2010 0,9 procent en dit jaar 2,2 procent. Daarmee is de renminbi met stip binnengekomen in de top-10 van de valutamarkt. Dat is best knap voor een munt die nog nauwelijks officieel verhandeld mag worden en waarvan de omzet dan ook grotendeels offshore is.

Waar de euro dus eerst de Amerikaanse monetaire hegemonie zou bedreigen, wordt de munt nu juist zelf uitgedaagd door de renminbi. Want reken maar dat de verhoudingen behoorlijk zullen worden opgeschud als de Chinezen besluiten hun munt vrij te geven.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.