Dansen tussen zand en rotsen

In een paradijselijke lagune van Senegal ligt het vermaarde danscentrum École des Sables. Het Nederlandse gezelschap Don’t Hit Mama werkt er aan een nieuwe voorstelling.

Foto Hyun Kim

Op haar dooie gemak loopt een inheemse poes, even hoogzwanger als broodmager, over het toneel van Studio Henriëtte, volmaakt ongeïnteresseerd in zowel het uitzicht op de lagune van Toubab Dialaw als de verrichtingen van drie Nederlandse en vier Afrikaanse dansers. Zij is op weg naar de keuken van de École des Sables, het vermaarde Senegalese danscentrum van Germaine Acogny.

In de studio spreekt choreografe Nita Liem (51) de dansers bemoedigend toe. „Nou jongens, het is nog niet af, maar het ziet er best goed uit.” Enige geruststelling is nodig, want de volgende ochtend staat een presentatie op de Nederlandse ambassade in Dakar gepland van de nieuwe choreografie War & Peace, een co-productie van Liems urban dansgezelschap Don’t Hit Mama en de École des Sables.

Al weken repeteren, eten, slapen en wonen Liem en haar groep in het Senegalese ‘dansdorp’. Elke dag staat er in het teken van dans. „Er is hier geen enkele afleiding: geen televisie, geen afspraken of boodschappen in de stad, niets”, zegt Liem. Ze wijst naar een paar dansers, druk bezig met smartphone en laptop. „Alleen wifi, daar onder die boom bij de kantoren.”

Wifi, de oceaan en de natuur. De lagune van Toubab Dialaw, eind juni kurkdroog, loopt in het regenseizoen weer vol, om in alle mogelijke kleuren groen te verschieten en een rijke voedingsbron te bieden aan allerlei exotische vogels. Grenzend aan dat paradijselijke oord hielden de Frans-Senegalese danseres, choreografe en docente Germaine Acogny en haar Duitse echtgenoot Helmut Vogt (beiden 69) veertien jaar geleden het eerste gebouw van hun École des Sables ten doop, gefinancierd met eigen geld. Destijds stond Kër Aloopho, de grote, open studio met zandvloer en stervormige overkapping, op een lege vlakte. „Zand en rotsen”, aldus Vogt, die de zakelijke leiding van de École voert. Die rotsen liggen nog steeds in de rode aarde tussen de keuken, kantine, kantoren, conferentieruimte, twee studio’s en in drie cirkels opgestelde huisjes die tussen 1999 en 2004 werden gebouwd. Acogny en Vogt hebben zelf de bomen geplant: ‘flamboyants’ met vuurrode bloemen en grote, zwarte peulen, zilvergroene eucalyptussen en zuurzakbomen vol fruit.

In de danswereld is de École des Sables een begrip. Jaarlijks komen, nog afgezien van de groepen schoolkinderen die wekelijks op het centrum (gratis) dansles krijgen, totaal ruim 200 dansers uit heel Afrika, maar ook uit Europa en de Verenigde Staten, naar het vissersdorpje ten zuiden van Dakar. Ze volgen er workshops hedendaagse Afrikaanse dans bij ‘de Martha Graham van de Afrikaanse dans’, zoals de bijnaam van Acogny luidt.

De bijna zeventigjarige is een indrukwekkende vrouw, lang, kaal, kaarsrecht en met karakteristieke trekken. Zij beschouwt het lichaam als een microkosmos, met het borstbeen als centrum, als zon. De sterren zijn gelegen in de schaamstreek, de maan in de ‘popo’, het achterwerk. Een microkosmos in eeuwige beweging of, in haar eigen woorden: „een oneindig va-et-vient, net als wanneer je vrijt.”

Net als haar Amerikaanse evenknie Graham heeft zij een eigen techniek en lessysteem ontwikkeld, gebruikmakend van elementen uit de westerse moderne dans. Een ‘pan-Afrikaanse’, hedendaagse danstaal, die niet is terug te voeren op één etnische stijl, maar op de Afrikaanse natuur, het animisme, de rituelen en de gemeenschap – elementen die kenmerkend zijn voor alle Afrikaanse dansen. Haar benadering behelst meer dan techniek, benadrukt Acogny: „Spiritualiteit is minstens even belangrijk. Dat is een van de grote verschillen tussen westerse en Afrikaanse dans.” Westerse dansers veranderen erdoor, heeft zij gezien: „Niet dat ze Afrikaanse dansers worden, dat is juist niet de bedoeling. Maar ze ontdekken hun eigen wortels en menselijkheid in de dans.”

Wifiboom

Rajiv Baghwanbali (28), danser bij Don’t Hit Mama, is voor de derde keer in Toubab Dialaw. Hij is nog steeds onder de indruk van de sfeer en de energie van het centrum. Onder de wifiboom vertelt hij welke invloed Acogny’s benadering op hem heeft. „Bij Germaine voel je dat dans meer is dan zomaar wat bewegingen doen. Veel meer. Het is een spirituele ervaring. Ze laat je voelen dat je trots op jezelf mag zijn, op je kracht.” Ook de rituelen in en buiten het centrum, bijvoorbeeld rond een van de talrijke baobabbomen in de omgeving, vindt hij, ondanks enige hardnekkige gêne, „superboeiend”.

Op de École des Sables begint elke dag met een ochtendritueel. Om kwart over negen precies moet iedereen in de zandstudio zijn. „En ben je er niet, dan heeft dat gevolgen”, lacht Baghwanbali. „Dan moet je de studio schoonmaken en aanharken.” Het is een effectieve manier om de Afrikaanse neiging tot (te) laat komen te bestrijden. Iedereen begroet iedereen, met een hartelijk ‘Bonjour, ça va?’, een omhelzing of een handdruk. Onder leiding van Acogny wordt een kring gevormd – de eeuwige cirkel – hand in hand, voeten stevig in de aarde gepoot. Net als de tientallen meters hoge kapokboom, Acogny’s lievelingsboom, moeten de dansers de energie van de aarde en de hemel voelen. Tot slot wordt de energie rond geblazen. Bij temperaturen boven dertig graden in de schaduw is die hard nodig.

Liem, met haar Chinees-Indonesische wortels toch de Hollandse nuchterheid zelve, heeft geen moeite met de rituelen. „Germaine is er op een heel concrete manier mee bezig. Een voorbeeld: voor elk nieuw project gaat ze met de studenten naar het dorpshoofd en de imam, om hun goedkeuring te vragen. Dat kun je ook beleefdheid noemen.”

Het danscentrum heeft veel voor het dorp betekend. Er zijn meer voorzieningen en betere wegen gekomen, rijke Senegalezen bouwen er zomervilla’s. Bovendien levert de École des Sables werkgelegenheid op voor de dorpelingen, onder wie de dochter van het dorpshoofd. Zij zwaait de scepter in de keuken die eenvoudige maaltijden verzorgt voor dansers en overige gasten.

Liem kent Acogny al sinds de jaren negentig en heeft het centrum zien groeien. Voorheen, vertelt ze, deelden veertig dansers douche en toilet, nu kan ze haar dansers onderbrengen in driepersoonsbungalows met eigen sanitair. „Wel zo prettig. Ook om te voorkomen dat ze diarree aan elkaar doorgeven.”

Hoe relatief luxe en beschermd de huisjes voor Senegalese begrippen ook zijn („dit is echt Club Med hoor”, aldus Liem), de dansers van War & Peace ontkomen niet aan fysiek ongemak. Na de presentatie in Dakar is een van de dansers geblesseerd aan zijn enkel en heeft een ander een acute malaria-aanval gekregen. De tweede presentatie, de volgende dag op het Frans cultureel instituut in Dakar, staat daarmee op losse schroeven. Maar als de dansers de reis van Toubab Dialaw naar Dakar weer hebben overleefd – de bus die hen vervoert is zo te zien al vijf keer gesloopt en weer aan elkaar gelast – gaat iedereen met typische dansersmentaliteit gewoon aan de slag. De een hinkend, de ander koortsig en misselijk. ’s Avonds, tijdens de voorstelling, merkt niemand iets. Ook niet dat de malariapatiënt een paar keer de coulissen in duikt om nog maar eens te braken.

Daarin, in hun inzet en gretigheid, verschillen de Nederlanders niet van hun Afrikaanse collega’s, zegt een Gabonese danser de volgende dag, zittend onder de wifiboom. Grijnzend: „Alleen moeten zij vaak drinken.”

War & Peace van Don’t Hit Mama i.s.m. École des Sables. Amsterdam, 30/9, tournee t/m 5/11. Laatste voorstelling met solo-optreden van Germaine Acogny. Inl: donthitmama.nl