Wetenschapper is vaak flexwerker

Het aantal wetenschappers met een tijdelijk contract is fors toegenomen Universiteiten verliezen zo talentvol personeel

Illustratie Marike Knaapen

De flexwerker rukt op aan de Nederlandse universiteiten. In acht jaar tijd is het aantal wetenschappers met een tijdelijk contract toegenomen met eenderde: van 29,9 procent in 2004 tot 40,7 procent in 2012. In 1995 was nog maar 22,8 procent in tijdelijke dienst.

Dat blijkt uit onderzoek van de Vakbond voor de wetenschap (Vawo), die gebruikmaakt van cijfers van universiteitenvereniging VSNU. Het zijn volgens de vakbond vooral de postdocs en gepromoveerde docenten die geen vast contract meer kunnen krijgen – promovendi liet de vakbond in haar onderzoek buiten beschouwing, omdat die doorgaans al een tijdelijk contract hadden. Zou je die wél meerekenen, dan is 60 procent van het wetenschappelijk personeel in tijdelijke dienst.

„Flexibilisering zie je overal, maar bij het wetenschappelijk personeel is het extreem”, zegt Arie van Dalen van de Vawo. Ter vergelijking: van de Nederlandse beroepsbevolking had 31 procent in 2012 volgens het CBS geen vast contract.

Volgens de vakbond verliezen universiteiten op deze manier talentvolle wetenschappers. „We zien het duidelijk in ons ledenverloop. Iedere week bellen er wel een paar die naar het buitenland of het bedrijfsleven vertrekken”, zegt Van Dalen. „Als je achterin de dertig bent en nog steeds niet weet waar je aan toe bent, ga je eieren voor je geld kiezen.”

De wettelijke flexregeling schrijft voor dat een werkgever zijn werknemer moet aannemen na drie jaar onafgebroken tijdelijk dienstverband. „Per cao kun je van die regeling afwijken”, zegt Van Dalen. „Bij universiteiten geldt dat onderzoekers soms vijf of zes jaar in tijdelijke dienst mogen zijn, zodat ze een wetenschappelijk onderzoek kunnen afronden.” Volgens Van Dalen krijgen veel postdocs tegenwoordig een contract voor de duur van een onderzoek, moeten dan zes maanden uit dienst en kunnen vervolgens weer solliciteren voor een nieuw onderzoek, met een nieuw tijdelijk contract.

Hetzelfde geldt voor universitair docenten, die zowel onderzoek doen als onderwijs geven. „Universitair docenten behoren tot de kern van de wetenschappelijke staf. Als je die mensen er na een paar jaar uitgooit, ben je bezig met vernietiging van menselijk kapitaal”, waarschuwt Van Dalen. „Telkens moeten nieuwe werknemers het wiel uitvinden, wat ook de werkdruk opvoert van die paar die wél een vast contract hebben.”

VSNU is het niet eens met de kritiek van de vakbond, zegt woordvoerder Bastiaan Verweij. „De kwaliteit van onderwijs en onderzoek wordt bewaakt door hoogleraren en universitair hoofddocenten, zij zijn in vaste dienst.” Door bezuinigingen krijgt het wetenschappelijk onderwijs minder ‘algemeen overheidgeld’ en is het meer afhankelijk van subsidies en sponsoring uit het bedrijfsleven, stelt VSNU. Verweij: „Dat geld is specifiek bestemd voor bepaalde projecten. We sluiten dus contracten af voor de duur van die projecten.”

Verweij wijt de toename aan tijdelijke contracten bovendien aan het nieuwe ‘tenure trackbeleid’, dat sinds 2006 in Nederland bestaat. Dit is een soort talentbeleid waarbij veelbelovende postdocs een contract krijgen voor zes jaar. Als ze voldoen, krijgen ze een vast contract.

De Vawo vindt dit een goede ontwikkeling, maar stelt dat dit systeem nog op kleine schaal wordt toegepast. „Het verklaart zeker het enorme percentage tijdelijke contracten niet. De meeste wetenschappers worden jarenlang in baanonzekerheid gelaten”, zegt Van Dalen.