Volgens de ex-vriend van de New Yorkse huizenruilster zit ik er natuurlijk naast

Hoe vertel je een verhaal? Volgens Jaap Cohen is het als met geschiedschrijving: het duurt even voordat het een succes wordt.

illustratie anne van Wieren

Het leek zo mooi. Ik had een sympathieke New Yorkse vrouw gevonden die voor tien dagen haar appartement wilde ruilen met dat van mij in Amsterdam. Een gratis verblijf in een levendige buurt in Queens – mijn vakantie kon niet meer stuk. Tenminste, zo leek het. Bij aankomst bleek dat de sympathieke New Yorkse vrouw net uit een relatie was gestapt. De ex-vriend was nog steeds in het bezit van een sleutel van het appartement, wat hem – in zijn ogen – het recht gaf om van het appartement gebruik te maken. Gevolg: vier dagen drama, inclusief slotenmakers, inbraak, diefstal, bedreigingen op de brandtrap en commentaar leverende buurvrouwen die in een Woody Allen-film niet zouden misstaan. Einde van het liedje was dat ik besloot de resterende dagen van mijn vakantie in een hotel door te brengen.

Leuk is anders. Het enige voordeel leek te zijn dat ik wel een sterk verhaal had om te vertellen: alle ingrediënten waren in ieder geval voorhanden. Maar toen ik voor het eerst probeerde te vertellen wat er allemaal was gebeurd, kwam mijn verhaal niet uit de verf. Niet zo gek, want na afloop van mijn verhaal realiseerde ik me dat ik alle gebeurtenissen chronologisch had willen aflopen, zonder ook maar enig detail te missen. Terwijl die details voor de kern van het verhaal niet bijster interessant waren.

Woody Allen-fan

Daarom liet ik bij volgende vertelmomenten de meeste randgebeurtenissen weg. En inderdaad: steeds beter lukte het me om het gecompliceerde verhaal op een duidelijke manier te vertellen en mijn toehoorders te boeien. Ik ging accenten leggen, zaken weglaten, spelen met de chronologie. De hoofdlijn van het verhaal had zich inmiddels helemaal uitgekristalliseerd; zijpaden en details (waarvan ik steeds zekerder wist dat ze ‘werkten’) nam ik alleen op als ik tijd en zin had om een uitgebreide versie van het verhaal uit de doeken te doen. En als ik wist dat mijn gesprekspartner een grote Woody Allen-fan was, dan besteedde ik meer aandacht aan de buurvrouw dan normaal.

De manier waarop ik mijn eigen kleine verhaal construeerde, heeft wel iets weg van de manier waarop historici te werk gaan bij het beschrijven en analyseren van een grote, ingewikkelde gebeurtenis uit het verleden. Neem de Bezetting van Nederland tussen 1940 en 1945. In de eerste periode na de Bevrijding verschenen hierover de eerste boeken. Het waren voor het merendeel kroniekachtige beschrijvingen, met veel details en zonder veel lijn in de gebeurtenissen. Voor de meeste auteurs van deze boeken bleek het lastig om los te komen van de feiten en een eigen visie op het gebeurde te ontwikkelen; de oorlog lag te vers in het geheugen, er was nog te weinig distantie in tijd.

Dat veranderde in de jaren zestig. De oorlog was inmiddels zo’n twintig jaar geleden, het werd mogelijk om grotere lijnen te ontwaren. Historici als Loe de Jong en Jacques Presser plaatsten voor het eerst de Bezetting in een bredere context. De Jong maakte een televisieserie, De Bezetting, die als blauwdruk diende voor zijn monumentale, veertiendelige werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. En Pressers boek Ondergang uit 1965 liet zien hoe de nazi’s met onvoorstelbare precisie de Nederlandse Joden naar Oost-Europese vernietigingskampen konden drijven. Zowel De Jongs televisieserie als Pressers boek sloeg in als een bom. Ze kregen veel meer aandacht dan de eerdere, chronologische beschrijvingen van de auteurs uit de jaren veertig en vijftig – zoals ik pas na verloop van tijd succes kreeg met mijn verhaal over de mislukte huizenruil.

Andere benadering

Lange tijd waren de boeken van De Jong en Presser standaardwerken voor iedereen die iets over Nederland in de Tweede Wereldoorlog wilde weten. Dat zijn ze in zekere zin nog steeds, maar er is de laatste decennia wel het een en ander veranderd. Zowel De Jong als Presser – beiden Joods – had de oorlog zelf meegemaakt. Beiden hadden grote verliezen geleden; logischerwijze werd hierdoor hun blik op de oorlog beïnvloed en klonken in hun werk de emoties van destijds door. Maar jonge historici die zelf de oorlog níet hadden meegemaakt, lieten zien dat er ook een andere benadering mogelijk was: afstandelijker, analyserend en met aandacht voor internationale vergelijkingen (waarom waren bijvoorbeeld uit Nederland relatief meer Joden gedeporteerd dan in de ons omringende landen?)

Iedereen vertelt zijn eigen verhaal

Dit is het punt waarop de vergelijking met mijn huizenruilverhaal niet meer opgaat. Hoezeer ik mijn verhaal ook heb gestructureerd, ik kan niet anders dan het vanuit mijn eigen perspectief vertellen. Dat realiseerde ik mij toen ik iemand anders mijn verhaal aan een derde hoorde samenvatten. Ineens werden andere accenten gelegd dan ik zelf zou doen: ik had bijvoorbeeld het gevoel dat mijn teleurstelling over het mislukken van het eerste gedeelte van mijn vakantie werd weggelaten. Tegelijkertijd realiseerde ik me dat de New Yorkse huizenruilster weer een ander verhaal zou vertellen over de gebeurtenissen, waarschijnlijk met veel meer nadruk op haar relationele problemen. Om maar te zwijgen van haar ex-vriend, die vond dat hij het recht had om in het appartement in te breken.

Hoe zou een goede historicus mijn huizenruilverhaal benaderen? Als je het ‘drama’ in al zijn facetten zou willen begrijpen, moet je zoveel mogelijk hoofdrolspelers spreken en je daarbij realiseren dat ieders verhaal na verloop van tijd een eigen vorm krijgt. Vervolgens ga je op zoek naar concreet materiaal dat iets zegt over de gebeurtenis: de e-mailcorrespondentie met de huizenruilster, achtergelaten briefjes in het appartement, een ingesproken voicemail met bedreigingen.

Na deze verzamelfase begint het selecteren en interpreteren van het materiaal. Sommige getuigenverklaringen zijn nu eenmaal van groter belang dan andere. En een klein zinnetje aan het einde van de derde alinea van een e-mail kan een ingang bieden voor een geheel nieuwe interpretatie van bepaalde feiten. Door specifieke elementen aan te zetten, ga je een eigen verhaal construeren – net zoals alle hoofdrolspelers dat hebben gedaan, maar nu vanuit een helikopterview.

Groter perspectief

Ten slotte breekt de laatste fase aan, waarin je het verhaal in een groter perspectief plaatst. Je kunt het bijvoorbeeld vergelijken met ervaringen van andere huizenruilers en vaststellen of het hier gaat om een uitzondering of om de regel. Of je gebruikt het om iets te zeggen over veiligheid in New York, over de mogelijkheden en gevaren van de ruileconomie via internet, of over verhoudingen tussen buren in een metropool.

Geschiedschrijving is eigenlijk niets anders dan het vertellen van een verhaal – een verhaal waarbij je eerst allerhande gegevens verzamelt, selecteert en interpreteert, en ze vervolgens in een breder verband plaatst. En waarbij je je één ding voortdurend moet realiseren: dat er oneindig veel beschrijvingen en interpretaties van een gebeurtenis mogelijk zijn – of het nu gaat over de Tweede Wereldoorlog of over zoiets futiels als een mislukte huizenruil.