Tot het laatste moment blijf je hopen: misschien sturen ze me toch niet naar Mordovië

Vanuit een Russisch strafkamp schreef Nadezjda Tolokonnikova over de wantoestanden daar Maandag begon zij met een hongerstaking Dit is haar verhaal

Het is nu een jaar geleden dat ik aankwam in strafkolonie nr. 14 in het Mordovische dorp Parts. Zoals het gezegde onder gevangenen luidt: ‘Wie nooit in Mordovië heeft gezeten, heeft nooit gezeten.’

Ik hoorde voor het eerst over de gevangenenkolonies in Mordovië toen ik nog in voorlopige hechtenis zat in Centrum nr. 6 in Moskou. Ze hebben het hoogste beveiligingsniveau, de langste werkdagen en de grofste rechtenschendingen. Als ze je naar Mordovië sturen, dan is het of je naar het schavot gaat. Tot het laatste moment blijf je hopen: ‘Misschien sturen ze me toch niet naar Mordovië? Misschien waait het nog over?’ Maar er waaide niets over en in de herfst van 2012 kwam ik aan in het kamp aan de rivier de Partsa.

Mordovië begroette me met de woorden van het adjunct-hoofd van de strafkolonie, luitenant-kolonel Kupriyanov, die de feitelijke leiding over onze kolonie heeft. „Weet wel dat ik politiek gezien ik een stalinist ben.” Kolonel Kulagin, de andere baas – de kolonie heeft een tweehoofdige leiding – riep me op mijn eerste dag hier bij zich binnen. Ik zei meteen tegen hem dat ik alleen de acht uur per dag zou werken die volgens de arbeidswet vereist was. „De wet is één ding – wat echt telt, is dat je je quota haalt. Zo niet, dan werk je over. Weet wel dat we ook een sterkere wil dan de jouwe gebroken hebben!”, was de reactie van Kulagin.

Mijn brigade in het naaiatelier werkt 16 à 17 uur per dag. Van half acht ’s ochtends tot half één ’s nachts. In het beste geval krijgen we per nacht vier uur slaap. Eens per anderhalve maand hebben we een vrije dag. We werken bijna elke zondag. Gevangenen dienen aanvragen in om in het weekend ‘op eigen verzoek’ te mogen werken. In werkelijkheid is natuurlijk van een verzoek geen sprake. De verzoeken worden ingediend op last van de leiding en onder druk van de gevangenen die het bewind helpen handhaven.

Niemand durft deze bevelen te negeren en niet het verzoek in te dienen om ’s zondags het werkgedeelte te mogen betreden, oftewel tot één uur ’s nachts te werken. Een vrouw van 50 vroeg een keer of ze om acht uur in plaats van half één ’s avonds terug mocht naar het woongedeelte, zodat ze om tien uur naar bed kon en ten minste eenmaal per week acht uur slaap kon krijgen. Ze voelde zich ziek, ze had hoge bloeddruk. Als reactie hield de eenheid een vergadering om de vrouw te kleineren, beledigen en vernederen en haar voor parasiet uit te maken. „Denk jij soms dat je de enige bent die meer slaap wil? Je moet eens harder werken, wijf!” Ook als iemand van de brigade op last van de dokter niet komt werken, krijgt hij ervan langs. „Ik werkte nog met 40 graden koorts en dat ging prima. Wat denk je nou – wie gaat jouw werk inhalen?”

Mijn wooneenheid in het kamp begroette me met de woorden van een medegevangene die bijna haar negen jaar erop had zitten. „Die zwijnen zijn bang om je zelf aan te raken. Ze doen het liever met de handen van je medegevangenen.” In de kolonie hebben de gevangenen die aan het hoofd van de brigades staan, samen met de oudgedienden, tot taak medegevangenen hun rechten te ontnemen, hen te terroriseren en hen tot zwijgende slaven te maken – allemaal op last van de leiding.

Voor de handhaving van tucht en gehoorzaamheid is er een wijdverbreid systeem van officieuze straffen. Gevangenen moeten gedwongen ‘in de lokalka [een omheinde doorgang tussen twee delen van het kamp] blijven totdat het licht uitgaat’; de gevangene mag niet de barakken in – of het nu herfst of winter is. In de tweede brigade, die uit gehandicapten en ouderen bestaat, was er een vrouw die na een dag in de lokalka ten slotte zulke ernstige bevriezingsverschijnselen had dat ze haar vingers en een van haar voeten moesten amputeren. Ook kan een gevangene ‘hygiëneprivileges verspelen’ (hij mag zich niet meer wassen of naar de wc), ‘kantineprivileges verspelen’ (de gevangene mag geen eigen voedsel meer eten of iets drinken). Het is raar, maar ook beangstigend, als een 40-jarige vrouw tegen je zegt: „Zo te zien krijgen we vandaag straf. Ik ben benieuwd of we morgen ook straf krijgen!” Ze mag het naaiatelier niet uit om te plassen of een snoepje uit haar tas te halen. Dat is verboden.

Twee weken geleden werden de productiequota voor alle brigades in de kolonie zomaar met vijftig eenheden verhoogd. Was eerder het minimum 100 uniformen per dag, dan is het nu 150. Volgens de arbeidswet moeten werknemers minstens twee maanden voor de ingangsdatum van een wijziging in de productiequota in kennis worden gesteld. Bij PC-14 merkten we op een dag toen we wakker werden gewoon dat we een nieuw quotum hadden, doordat de leiding van ons ‘slavenhok’ (zoals de gevangenen de kolonie noemen) toevallig op dat idee was gekomen. Het aantal mensen in de brigade daalt (ze worden vrijgelaten of overgeplaatst), maar het quotum stijgt. Daardoor moeten de achterblijvers almaar harder werken. De monteurs zeggen dat ze niet de benodigde onderdelen hebben om de apparatuur te repareren en dat ze die ook niet zullen krijgen.

„Er zijn geen onderdelen! Wanneer die komen? Doe normaal! We zijn hier in Rusland. Je hoeft die vraag niet eens te stellen!” Tijdens mijn eerste maanden in de werkzone ben ik bijna een monteur geworden. Ik heb het mezelf geleerd, uit noodzaak. Ik stortte me op mijn machine, met een schroevendraaier in de hand, in de vertwijfelde hoop hem te repareren. Je handen zijn doorboord met naaldlittekens en overdekt met schrammen, je hele werktafel zit onder het bloed, maar toch blijf je naaien.

‘Als jij niet Tolokonnikova was, zou je allang in elkaar getrapt zijn’, zeggen medegevangenen die nauwe banden met de leiding hebben. Het is waar: anderen worden afgetuigd. Omdat ze het niet kunnen bijbenen. Ze worden in de nieren gestompt, in het gezicht. Gevangenen voeren zelf die mishandelingen uit en ze vinden nooit plaats zonder de goedkeuring en het volledige medeweten van de leiding. Een jaar geleden, voordat ik hier kwam, is een zigeunervrouw bij de derde eenheid doodgeslagen (de derde is de dwangeenheid waar ze gevangenen plaatsen die dagelijks moeten worden afgetuigd). Ze overleed op de medische afdeling van PC-14. De leiding wist het te verdoezelen: de officiële doodsoorzaak was een beroerte. Bij een andere eenheid werden nieuwe naaisters die het niet konden bijbenen uitgekleed en gedwongen om naakt te naaien.

De hygiëne- en woonomstandigheden van het kamp zijn zo bedacht dat de gevangene zich een smerig dier zonder enige rechten voelt. Op de slaapzalen zijn weliswaar ‘hygiëneruimten’, maar er is ook een ‘algemene hygiëneruimte’ met een opvoedend en bestraffend doel. Deze ruimte is op vijf personen berekend, maar alle 800 gevangenen van de kolonie worden er naartoe gestuurd om zich te wassen. We mogen ons niet wassen in de hygiëneruimte van onze barak – dat zou te gemakkelijk zijn. In de ‘algemene hygiëneruimte’, opeengepakt in het eeuwige gedrang, proberen de vrouwen zich in de weinige tobbes zo snel als ze kunnen te wassen.

Eenmaal per week mogen we ons haar wassen. Maar soms wordt ook die baddag geschrapt. Er gaat een pomp kapot of er raakt een afvoer verstopt. Mijn eenheid kon weleens twee, drie weken niet in bad.

Als de afvoer kapot gaat, spat de urine in het rond en vliegen de drollen uit de hygiëneruimten. We hebben geleerd zelf de buizen te ontstoppen, maar onze successen zijn van korte duur – algauw raken ze weer verstopt. De kolonie heeft geen ontstoppingsveer om de buizen schoon te maken. We mogen eens per week onze was doen. Het washok is een kleine ruimte met drie kranen waar een dun straaltje koud water uit komt.

Het is vast ook een opvoedende maatregel om de gevangenen alleen oud brood, zwaar aangelengde melk, uitsluitend bruin verkleurde gierst en rotte aardappelen te geven. Van de zomer werden er ladingen zakken met slijmerige, zwarte aardappels aangevoerd. Daarna kregen wij die te eten.

Er zijn eindeloze schendingen van de woon- en werkomstandigheden bij PC-14. Maar mijn voornaamste en belangrijkste klacht is nog groter. Namelijk dat de leiding van de kolonie met de zwaarste beschikbare middelen verhindert dat eventuele klachten of eisen inzake de omstandigheden bij PC-14 buiten de muren van de kolonie komen. De leiding dwingt mensen te zwijgen. Daartoe zet ze desnoods de laaghartigste en wreedste middelen in. Alle andere problemen komen hieruit voort – de verhoogde quota, de 16-urige werkdag, enzovoort. De leiding voelt zich onaantastbaar en schroomt niet om de gevangenen steeds ernstiger te onderdrukken.

Ik begreep maar niet waarom iedereen zweeg totdat ik zelf te maken kreeg met de lawine aan hindernissen die een gevangene over zich heen krijgt als hij besluit zich uit te spreken. Klachten komen gewoon niet de gevangenis uit. De enige kans is om via een advocaat of familieleden te klagen. Kleingeestig en wraakzuchtig zal de leiding intussen al haar instrumenten benutten om de gevangene onder druk te zetten, zodat ze zal inzien dat haar klachten niemand helpen maar alles alleen maar erger maken. Er wordt gebruikgemaakt van collectieve bestraffing: als jij klaagt dat er geen warm water is, wordt het helemaal afgesloten.

In mei 2013 diende mijn advocaat Dmitry Dinze bij het parket een klacht in over de omstandigheden bij PC-14. Het adjunct-hoofd van de kolonie, luitenant-kolonel Kupriyanov, maakte onmiddellijk de omstandigheden in het kamp ondraaglijk. Steeds weer werden we gevisiteerd, er kwam een vloed meldingen over al mijn bekenden, warme kleren werden in beslag genomen en ze dreigden met de inbeslagname van warme schoenen. Op het werk haalden ze hun gram met ingewikkelde naaiopdrachten, verhoogde quota en opzettelijke storingen. De bazen van de eenheid naast de mijne, rechterhanden van luitenant-kolonel Kupriyanov, vroegen gevangenen openlijk om mijn productie te dwarsbomen, zodat ik wegens ‘beschadiging van overheidseigendom’ naar de strafcel kon worden gestuurd. Ook gaven ze gevangenen opdracht een vechtpartij met mij uit te lokken.

Alles is te verdragen zolang het alleen jezelf raakt. Maar tegen de methode van de collectieve straf is geen kruid gewassen. Die houdt in dat je eenheid of zelfs de hele kolonie jouw straf mee moet verduren. En dus ook, het allerergste, mensen om wie je bent gaan geven. Aan een van mijn vriendinnen werd voorwaardelijke vrijlating geweigerd, waarop ze al zeven jaar wachtte, hard werkend om haar werkquota te overschrijden. Ze werd berispt omdat ze thee met mij had gedronken. Die dag plaatste luitenant-kolonel Kupriyanov haar over naar een andere eenheid.

Nu zie ik in dat ik al in mei in hongerstaking had moeten gaan, toen ik me voor het eerst in deze situatie bevond. Maar na de enorme druk die de leiding vanwege mijn acties op mijn medegevangenen had uitgeoefend, besloot ik toen de indiening van klachten over de omstandigheden in de kolonie te staken.

Drie weken geleden, op 30 augustus, vroeg ik luitenant-kolonel Kupriyanov om de gevangenen in mijn werkbrigade acht uur slaap toe te staan. We hadden het over een verkorting van de werkdag van 16 tot 12 uur. „Prima, vanaf maandag werkt de brigade telkens nog maar acht uur”, antwoordde hij. Ik wist dat dit weer een valkuil was, omdat het fysiek onmogelijk is om in 8 uur het verhoogde quotum te halen. Dus zal de brigade tijd tekort komen en vervolgens straf krijgen. „Als iemand ontdekt dat jij hierachter zit, zul je nooit meer klagen”, ging de luitenant-kolonel verder. „In het hiernamaals is tenslotte niets meer om over te klagen.”

In de loop van de weken daarna werd het leven in mijn eenheid en werkbrigade onmogelijk. Gevangenen die nauwe banden met de leiding hadden, hitsten de anderen op om wraak te nemen. Steeds weer proberen ze me zover te krijgen dat ik er een te lijf ga, maar wat heeft het voor zin mensen te lijf te gaan die niets over zichzelf te zeggen hebben, die alleen maar op last van de leiding handelen? Terwijl ze me gisteren nog welgezind waren en smeekten: „Doe iets aan die 16-urige werkdag!”, zijn ze nadat de leiding het op mij gemunt kreeg zelfs te bang om iets tegen me zeggen.

Ik wendde me tot de leiding met een voorstel om het geschil te beslechten. Ik vroeg of ze me wilden verlossen van de druk die zij hadden bewerkstelligd en die werd uitgeoefend door de gevangenen die zij onder controle hadden, en of ze de slavenarbeid in de kolonie wilden afschaffen door de lengte van de werkdag te verkorten en de quota te verlagen, zodat ze zouden stroken met de wet. De druk is alleen maar toegenomen.

Daarom ga ik vanaf 23 september in hongerstaking en weiger ik deel te nemen aan de slavenarbeid in de kolonie. Ik ga hiermee door totdat de leiding zich aan de wet houdt en gedetineerde vrouwen ter verhoging van de productie van de naai-industrie niet meer behandelt als vee dat is verstoten uit het rijk der gerechtigheid, maar ons als mensen gaat behandelen.

Dit is een enigszins ingekorte versie van de open brief die Tolokonnikova maandag op het weblog van de Pussy Riot heeft geplaatst.