Surinamers krijgen diabetes, Turken astma

Uit CBS-cijfers blijkt dat Antilliaanse Nederlanders vaker van zorg gebruikmaken dan Nederlandse Nederlanders Maar dat zegt niet zo veel Misschien zijn ze gewoon vaker ziek

foto anp

Verslaggever

Nederlanders van Antilliaanse of Surinaamse afkomst met een laag inkomen maken meer kosten voor ziekenhuiszorg of psychische hulp dan autochtone Nederlanders met weinig geld. Marokkaanse en Turkse Nederlanders in dezelfde inkomenscategorie maken juist minder kosten voor ziekenhuiszorg of geestelijke gezondheidszorg.

Dat blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat heeft daarvoor declaratiegegevens van de zorgverzekeraars gebruikt, waarin informatie staat over de soort zorg die iemand gebruikt (zoals huisarts of ziekenhuis), maar geen individuele declaraties. Die gegevens zijn gekoppeld aan de gemeentelijke basisadministratie. Dit maakt een – geanonimiseerde – vergelijking op etniciteit mogelijk.

Opvallend is dat in de hoogste inkomensgroepen de Turkse en Marokkaanse Nederlanders relatief de meeste zorg gebruiken. Voor alle etnische groepen geldt: hoe meer geld ze verdienen, hoe minder zorgkosten ze maken.

Misschien zijn ze zieker

Doktersbezoek zegt niet alles over de gezondheid van bevolkingsgroepen. Karien Stronks, als hoogleraar sociale geneeskunde verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en het Academisch Medisch Centrum: „Kennelijk gaan Antilliaanse Nederlanders vaker naar het ziekenhuis dan andere etnische groepen. Maar misschien zijn ze ook wel zieker. Misschien gaan ze wel minder naar het ziekenhuis dan autochtonen als ze even ziek zouden zijn geweest.”

Om zulke cijfers te kunnen interpreteren, zegt Stronks, moet je weten hoe de gezondheidstoestand van de betrokkenen is. Maar breed onderzoek naar de gezondheid van specifieke etnische groepen is er weinig. Dat komt onder meer doordat ziekenhuizen en instellingen voor geestelijke gezondheid (GGZ) niet op etniciteit registreren.

Een belangrijker reden is dat allochtonen buiten het meeste onderzoek worden gehouden, zegt Stronks. Dat gebeurt niet expres, maar het komt doordat de vragenlijsten vaak voor autochtone Nederlanders worden gemaakt. „Die moet je aanpassen voor andere etnische groepen. Per groep een vragenlijst – dat is nogal een onderneming. Een vraag over bewegen en sporten moet voor Surinaamse Nederlanders worden uitgebreid met yoga en dansen. Dat doen zij veel vaker dan hardlopen.”

Vragen over voeding die veel in onderzoek naar gezondheid zitten, legt Stronks uit, moeten sterk worden aangepast per etnische groep. Allochtonen eten soms heel andere dingen dan autochtone Nederlanders. En mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, doen sowieso niet aan zulk onderzoek mee.

Grootschalig onderzoek

Stronks is een van de initiatiefnemers van het HELIUS-gezondheidsonderzoek in Amsterdam. Dit is een van de weinige grootschalige gezondheidsstudies die zich juist richten op verschillende bevolkingsgroepen.

Zo is bekend dat Surinaamse Nederlanders gemiddeld vaker last hebben van diabetes en een hoge bloeddruk. Van alle Hindoestanen boven de 45 jaar heeft de helft diabetes. Onder autochtonen in die leeftijdscategorie gaat het om 5 tot 10 procent. Astma komt weer vaker voor bij Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Marokkanen hebben minder snel hart- en vaatziekten dan autochtone Nederlanders. Bij jonge Antillianen komen relatief vaak ‘geweldsongevallen’ voor. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor het relatief hoge gebruik van ziekenhuiszorg, zegt Stronks. „Maar zeker is dat niet.”

Uit onderzoek van het Trimbosinstituut naar psychisch welbevinden blijkt dat bepaalde etnische groepen grotere kans hebben op een psychische stoornis. De huiver om aan te kloppen om hulp lijkt langzaam overwonnen. „Allochtonen vinden steeds beter de weg naar de GGZ”, stelt het Trimbos.