Steva werkt alleen met drank en sigaretten

‘De crisis heeft Servië bereikt”, constateert Dragisa (54), die nadenkend achter een kudde van 25 schapen loopt in een rivierbedding bij Boljetin, een dorp in Oost- Servië. Zijn graadmeter zijn de Serviërs die in het buitenland werken. Meestal komen ze in de zomer massaal terug naar hun huis op het platteland. Ze brengen geld en opdrachten mee.

Een paar maanden lang wordt er dan fanatiek gegraven, gemetseld en gestuukt. Alle betonmolens zijn in bedrijf. Iedereen ruikt naar zweet. Zoals de meeste mannen hier werkt de zoon van Dragisa als dagloner in de bouw, die een groot deel van de zwarte economie uitmaakt.

Dit jaar is het stil. De emigranten, die zelf vaak in Italië en Zwitserland in de bouw werken, hebben beduidend minder te besteden. Mijn zoon zit te vaak thuis, vertelt Dragisa. „Dit heeft geen toekomst.”

De 23-jarige zoon, opgeleid tot boswachter, weigert lid te worden van een politieke partij, wat hier nodig is om een baan te krijgen bij de overheid. Geen zin in dat geslijm. Zijn vader, die in een houtfabriek werkte tot die failliet ging, begrijpt dat best, maar wie wat wil bereiken heeft de juiste connecties nodig. Zo was het onder het communisme, en zo is dat nu. „Toen was er maar een partij. Nu weet je niet welke je moet kiezen.”

Als een van de buitenlanders in de streek die nog wel wat te besteden heeft, zit ik geregeld in de rol van werkgever. Samen met lokale ambachtslieden, ‘majstori’, knappen we een huisje op. De buurvrouw coacht me in mijn rol als baas.

Ze was tot de sluiting voorvrouw op een fabriek waar knopen en munten werden gemaakt en heeft goed veel autoriteit in haar stem. Ik niet. En ik maak schijnbaar grappige fouten als ik Servisch spreek. De uitspraak van de woorden voor ‘schrijven’ en ‘piesen’ ligt gevaarlijk dicht bij elkaar.

Ik zeg veel te snel ‘ja’ tijdens onderhandelingen over geld. Dat wil ze niet, want dat drijft de prijzen op. Er zijn informele richtlijnen. Rechttoe rechtaan geulen graven in de uitgedroogde klei kost 1 euro 50 per meter. Een dag eenvoudig fysiek werk waarbij niet nagedacht hoeft te worden, koop je in vanaf een tientje. „Maar dan moet je wel eten verstrekken,” doceert de buurvrouw. Laten zelfcateren kan ook, dan komt een heel witbrood en een blikje leverpastei mee. Maar dan betaal je zo vijf euro per dag meer.

Steva, een lange magere man uit een hutje in het bos, zou in Nederland waarschijnlijk in een beschermd wonen-project zitten. Wie hem wil inschakelen moet sigaretten (‘niet te dure’) en sterke drank in huis hebben. Anders ‘doet’-ie het na een paar uur niet meer. Eten zie je Steva nooit.

Als je vraagt ‘wil je iets drinken’, bedoel je hier alcohol. Zelfgestookte sterke drank zit in gebruikte frisdrankflessen van 1,5 liter. De kunst is het niet te vroeg uit te serveren, want dan gaat het werktempo omlaag.

Momenteel hebben we een probleem met de waterafvoer in de keuken en ben ik weer eens te slap geweest. Ik durf de buurvrouw niet te bekennen hoeveel ik per dag betaal, want ik kan haar afkeurende blik – ‘domme, rijke buitenlander’ – moeilijk verdragen. Ik zal streng toezien of het afgesproken aantal uren wordt gemaakt.

Al op de eerste ochtend heb ik twijfels. De aannemer heeft vrouw en kind meegenomen. Die doen ook af en toe wat, maar hangen voornamelijk in de schaduw terwijl pa met de moker te keer gaat. Het jongetje ligt meestal op een kleedje. Gelukkig, ik maak me niet schuldig aan kinderarbeid.

Om een uur of elf verdwijnen ze voor een wel erg lange lunchpauze. Bij terugkeer wil ik ze toespreken. Voor ik iets kan zeggen krijg ik met een lieve lach een bevroren kip in mijn handen geduwd. Zelf gevoerd. Zelf geslacht en schoongemaakt. Cadeautje. Ik lach terug en zwijg. Het is immers crisis.