Participeren met de zweep erover

‘Participatie’ is nu een eufemisme voor op jezelf teruggeworpen worden, constateert Marja Jager-Vreugdenhil.

Illustratie pavel konstantin

De klassieke verzorgingsstaat verandert langzaam maar zeker in een participatiesamenleving, aldus het kabinet in de Troonrede. ,,Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” Niet eerder vroeg de regering zo expliciet en zo duidelijk om inzet van alle Nederlanders in de zorg voor elkaar. Het is goed dat dat gebeurt, maar de oproep om te ‘participeren’ heeft wel een bijsmaak.

Er wordt meer ‘participatie’ van ons verwacht. Mensen moeten meer zelf betalen, zelf doen of aan een ander vragen. Er komt veel minder geld beschikbaar voor bijvoorbeeld huishoudelijke hulp en voor de begeleiding van mensen met psychische problemen. Voorzieningen van de verzorgingsstaat moeten worden ontlast.

In de Troonrede wordt het zo gepresenteerd dat het klinkt alsof we er met zijn allen helemaal aan toe zijn: regelingen van de verzorgingsstaat zouden ,,niet meer aansluiten bij de verwachtingen van mensen”. Maar dat is niet het geval. De verwachtingen van mensen hebben zich juist helemaal gevormd rond die regelingen.

In het onderzoek voor mijn proefschrift ‘Nederland participatieland?’ zag ik dat mensen van elkaar en van de ander verwachten dat ze zoveel mogelijk zichzelf redden. Als dat niet lukt mogen ze een beroep doen op professionele voorzieningen, en alleen als dat niet lukt ook een beroep op familie, vrienden en buren. Dat zijn sociale regels die helemaal passen bij de verzorgingsstaat zoals die in de afgelopen decennia is gegroeid. De overheid verwacht nu dat we dat omdraaien: zoveel mogelijk zelf doen, als dat niet lukt een beroep op familie, vrienden en buren, en alleen als dat niet lukt de collectieve voorzieningen aanspreken. Die omslag is niet zomaar gemaakt.

Toch wordt dat eigenlijk al een aantal jaren steeds meer verwacht door de wetgever. Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2007 hebben sommige mensen dat al gemerkt: mensen die zelf hulp nodig hadden en daarvoor ondersteuning aanvroegen bij de gemeente, bijvoorbeeld voor huishoudelijke hulp of voor gehandicaptenvervoer. Zij hoorden steeds vaker: ‘Heeft u eerst geprobeerd in uw eigen omgeving een oplossing te vinden?’, ‘Heeft u niet een kind, een zus of een buurman die u kan helpen?’ Aan hen om hun familie, vrienden en buren om hulp te vragen en uit te leggen dat er iets veranderd was in de verzorgingsstaat. Het is goed dat nu ook door het kabinet, tijdens de troonrede, expliciet de omslag van verzorgingsstaat naar ‘participatiesamenleving’ wordt benoemd. Zo wordt de oproep om voor elkaar te zorgen niet alleen gehoord door mensen die zorg nodig hebben.

Het woord ‘participatiesamenleving’ is slim gekozen, want het roept positieve reacties op met ‘meedoen’, met ‘samen’. Tegelijk kan het door elke toehoorder naar believen worden uitgelegd. De een kan denken: ‘Prettig dat dit kabinet het belangrijk vindt dat iedereen mee moet kunnen doen, ook mensen met een beperking.’ De andere kan denken: ‘Goed zo, laat ze die luie uitkeringstrekkers ook maar aan het werk zetten.’ Het is een woord met zoveel betekenissen, dat ieder het voor zichzelf kan invullen. Het wordt gebruikt voor arbeidsparticipatie, maar ook voor politieke participatie, voor cliëntenparticipatie, of voor het meedoen aan het gewone sociale verkeer door mensen met een beperking. Vorige kabinetten bedoelden met ‘participatie’ in de praktijk steeds ‘arbeidsparticipatie’. Nu valt onder ‘participatie’ volgens dit kabinet ook: zorgen voor elkaar. Gaat dit Nederlanders aanspreken?

Ik denk het niet. Er zit een vervelende smaak aan het woord participatie. In de eerste plaats omdat het juist nu gebruikt wordt, in combinatie met grote bezuinigingen. ‘Participatie’ is dan een eufemisme voor op jezelf teruggeworpen worden. In de tweede plaats wordt het woord ‘participatie’ te vaak gebruikt om aan te geven dat anderen iets moeten doen.

Van de ‘participant’ wordt verwacht dat hij meedoet, in een voorgeschreven rol, volgens bepaalde regels. Op eenzelfde manier kan deze oproep tot ‘participatie’ als compensatie voor bepaalde stukken verzorgingsstaat worden uitgelegd als het mee gaan doen van bewoners in door gemeenten vastgestelde activiteiten. Maar dat is niet waar mensen warm voor lopen. Laat ze zich vanuit hun eigen intrinsieke motivatie inzetten in de sociale verbanden waar zij voor kiezen. Dat kan een gemeente faciliteren, maar niet aansturen.

Er zal zeker iets moeten veranderen in de huidige verzorgingsstaat, juist om het goede te kunnen behouden. Belangrijk is dat onze verwachtingen van wat ‘de verzorgingsstaat’ voor ons doet realistisch zijn. Burgers moeten zich niet tegenover de staat opstellen als consument. De regelingen van de verzorgingsstaat waren en blijven het middel waarmee ‘we’ samen Nederland zo organiseren dat iedereen zo goed mogelijk mee kan doen, op een manier die ‘we’ samen ook kunnen bekostigen. Dat betekent dat ieder zijn steentje moet bijdragen en zuinig is in het zelf gebruiken van voorzieningen.

‘Participatiesamenleving’ is daarvoor niet het meest aansprekende woord. Wie heeft een beter alternatief? Misschien gewoon samenleven?