Den Uyl, omdat hij het voor de buitenlanders op nam

De beste premier 5

Joop den Uyl verdient de titel, vindt Hafid Bouazza. Want zijn vader was een fan van hem.

Al slaat men mij dood en dwingt men mij een voordracht van Abdelkader Benali te ondergaan, dan nog zou ik niet kunnen zeggen welke politicus de beste premier van Nederland was.

Het heeft te maken met de aard van de politiek zelf, die een vorm van intellectuele schuinsmarcheerderij is, meer intrige dan theater. Zo omschreef de Amerikaanse schrijver Ambroce Bierce politiek als een „strife of interests masquerading as a contest of principles” en een politicus als een „eel in the fundamental mud upon which the superstructure of organized society is reared.

Een aal die een maskerade opvoert – glibberiger en onbetrouwbaarder krijgt men het niet. Teleurstelling is dan onvermijdelijk.

Toen ik mij enigszins politiek bewust werd, ging dat via een condoomcampagne: op een billboard bij de middelbare school stond een portret van Ruud Lubbers met de tekst: Lubbers gebruikt ze ook als hij weer eens de minima wil naaien.

Ik herinner me ook nog hoe Lubbers een menigte mensen toesprak, die hun rug naar hem hadden gekeerd, om de aanschaf van kernwapens te rechtvaardigen. Ik had hier wel bewondering voor.

Deze twee situaties bleken emblematisch voor de taak van een premier, namelijk de aanleg om bespot te worden en dat te kunnen dragen en ten tweede, en belangrijkste, de kiezers de gebroken verkiezingsbeloften met zomin mogelijk pleisters, krukken en gips als overlevenden van een compromis te presenteren. In beide gevallen is de zichtbaarheid van de premier van belang.

Joop den Uyl moet het worden, want hij kreeg de goedkeuring en genegenheid van mijn vader zaliger.

Vader heeft het kabinet-Den Uyl meegemaakt; toen de rest van de familie in 1977 Zuid-Holland arriveerde, wees vader naar de premier op televisie en sprak: „Hij is een goede man, hij neemt het op voor de buitenlanders.” (Dezelfde goedkeuring sprak hij ook uit over Van Kooten en De Bie.)

Het komt bij me op dat ik Den Uyl nooit in kleur heb gezien, niet op foto’s en niet op de beeldbuis – en dat wil ik graag zo houden.

De beelden waren van Den Uyl die tussen de eerste gastarbeiders liep en handen schudde; ik meen mij te herinneren dat vader zei dat hij hem ook eens de hand had geschud.

De liefde van de gastarbeiders voor koningin Juliana („Een vorstin op de fiets!”) was verbonden met de liefde voor Den Uyl, die haar (schoon)zoon had kunnen zijn.

Ze waren bevattelijk voor de generatie van mijn vader die van eenvoudige komaf was, ze stonden dichtbij mensen voor wie politiek voorheen een kwestie was van koning, knoet en cachot.

Belangrijker nog was dat onder het kabinet-Den Uyl mijn vader, die werkte in Piet Bezemer IJzer- en Staalfabriek, gelukkiger bleek dan ik hem ooit daarna heb gezien – behalve als hij weer tussen verwanten verbleef in de noordelijke bergen van Marokko.

Het was het veilige geluk van een vader die zich ergens thuis voelt, waar eenzaamheid op de loer lag, en wat hem betrof was Den Uyl daar mede verantwoordelijk voor.