De VN doen er weer toe

De Braziliaanse president Rousseff hield gisteren bij de VN een tirade tegen spionage door Amerika. Ook in de wandelgangen wordt hierover gepraat.

Nog maar een paar weken geleden dreigde de VN-top in New York te zullen plaatsvinden onder de schaduw van een Amerikaanse militaire interventie in Syrië, zonder instemming van de intens verdeelde VN-Veiligheidsraad. Maar in plaats daarvan heerste gisteren een voorzichtig optimisme op de openingsbijeenkomst van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York.

De diplomatie heeft opeens weer de wind in de zeilen, zowel in de kwestie van het omstreden nucleaire programma van Iran, als bij het Russisch-Amerikaanse akkoord om de chemische wapens van Syrië te vernietigen. En dat straalt af op de diplomatieke jaarmarkt die zich dezer dagen op en rond het VN-hoofdkwartier afspeelt.

Niet dat de staatshoofden, regeringsleiders, ministers en diplomaten hier fluitend door de gangen lopen. Daarvoor zijn de zaken waarover ze elkaar spreken te ernstig – het gaat hier over oorlog en vrede, kernwapens en kindbruiden en over de bestrijding van armoede, kindersterfte en andere zogeheten Millenniumdoelen.

Toekomst van het internet

En dan was er nog het onderwerp waarmee president Dilma Rousseff gisteren opzien baarde omdat ze de Verenigde Staten scherp hekelde. Traditioneel is de president van Brazilië het eerste staatshoofd dat de Algemene Vergadering toespreekt. Rousseff gebruikte het podium voor een aanklacht tegen het grootscheepse verzamelen van telefoon- en internetgegevens door de Amerikaanse inlichtingendienst NSA. Ze noemde het „onacceptabel” en „een schending van het internationaal recht” dat burgers, bedrijven en ook zijzelf hiervan het slachtoffer waren. „Zonder recht op privacy kan er geen werkelijke vrijheid van meningsuiting zijn en geen echte democratie.” Eerder al zegde Rousseff een staatsbezoek aan de VS af in verband met de affaire.

Hoewel deze kwestie niet op de officiële agenda staat, wordt er in de wandelgangen wel over gesproken. Er is bezorgdheid, en niet alleen omdat de NSA ook de communicatie bij de VN in de gaten blijkt te houden. Vertegenwoordigers van verschillende landen zeiden te vrezen dat de digitale spionage weinig goeds voorspelt voor de toekomst van het internet. President Ilves van Estland bijvoorbeeld neemt de kwestie niet licht op; hij had er maandag een kleine discussiebijeenkomst over georganiseerd.

Gaan, net als autocratische landen als China, Iran en Noord-Korea, nu nog meer landen beperkingen aan het digitale verkeer opleggen om hun soevereiniteit te beschermen? Dreigt een ‘balkanisering van het internet’, wanneer meer landen servers op eigen bodem willen hebben om ze aan de eigen regulering te kunnen onderwerpen, zoals Brazilië onlangs heeft aangekondigd?

Dat komt de internetvrijheid niet ten goede, waarschuwde een Amerikaanse diplomaat. Maar we doen het niet om dezelfde redenen als die autocraten, protesteerde een Braziliaanse collega, „we zijn een fatsoenlijk democratisch land, dat alleen wél zijn soevereiniteit en zijn burgers en bedrijven wil beschermen tegen inbreuk op hun communicatie.”

Rousseff zei in haar toespraak dat de Verenigde Naties moeten zorgen dat er internationale regels komen voor de manier waarop landen zich op internet gedragen. Ze eiste van de VS „de garantie dat dit nooit meer zal gebeuren” – gezien de lange geschiedenis van de spionage zal die waarschijnlijk niet snel nageleefd worden.

Maar ook al nam dit bevriende staatshoofd Amerika flink onder vuur, het was een wereld van verschil met veel luidruchtiger critici van de afgelopen jaren, zoals de Libische leider Gaddafi, de Venezolaanse president Chávez en de Iraanse president Ahmadinejad die de VN-top doorgaans aangrepen om op de Verenigde Staten af te geven. Rousseff bleef keurig binnen de diplomatieke omgangsvormen.

Obama ging in zijn rede alleen in heel algemene termen in op de kritiek van zijn Braziliaanse ambtsgenoot. Zoals de VS na een decennium van oorlogen opnieuw overwegen hoe en wanneer de strijdkrachten moeten worden ingezet, zei hij, „zo zijn we ook begonnen opnieuw te kijken naar de manier waarop we inlichtingen verzamelen, om een goede balans te vinden tussen de legitieme zorgen over de veiligheid van onze burgers en bondgenoten, en de zorgen over privacy die alle mensen delen”.