Balans slaaf en meester

Het Nederlands Film Festival in Utrecht opent vanavond met de slavernijfilm Hoe duur was de suiker. Veel milder dan 12 Years a Slave, de film van Steve McQueen die in de VS hoge ogen gooit voor de Oscars.

Mini-Mini (Yootha Wong-Loi-Sing) met plantagehouderJulius (Kees Boot) inHoe duur was de suiker.

‘Gone With the Wind’. Dat noemde regisseur Jean van de Velde (56) een half jaar geleden als voorbeeld voor zijn in Zuid-Afrika gefilmde epos over de Surinaamse slavernij, Hoe duur was de suiker. Niet zo vreemd, want ook de Surinaamse bestseller van Cynthia McLeod lijkt in de verte door de filmklassieker geïnspireerd, met heldin Sarith (Gaite Jansen) als plaatselijke variant op de misleide borderliner Scarlett O’Hara, en halfzus Mini-Mini (Yootha Wong-Loi-Sing) als jonge versie van huisslaaf Mammy.

Maar het is ook een ongelukkige vergelijking, want Gone With The Wind uit 1939 is een eulogie voor de plantagewereld van het Oude Zuiden, met blije katoenplukkers en loyale huisslaven. Om geen twijfel te laten bestaan over zijn intenties, valt Van de Velde daarom met de deur in huis: een slaaf die wreed de zweep krijgt. Tegelijk zien we slavin Mini-Mini een mengsel van limoensap en buskruit brouwen om in de open wonden te wrijven. Slavernij, benadrukt dat, bestond bij de gratie van een zekere consensus tussen slaaf en meester.

Rebel van bordkarton

In 2013, anderhalf eeuw na de rijkelijk late afschaffing van de slavernij in het koninkrijk, komen twee films uit over de slavernij. Een zwarte bladzijde die de vaderlandse cinema tot dusver negeerde: Hollands Glorie met Nova Zembla, Michiel de Ruyter en Kenau Hasselaar is meer in trek. Tula, the Revolt, het liefdeswerk van reclameman Jeroen Leinders, bleek eerder dit jaar geen succes. Al lag dat mogelijk ook aan de kwaliteit: de aanstichter van een mislukte slavenrevolte op Curaçao in 1795 wordt een nobele rebel van bordkarton wiens gruweldood wordt verzacht door het besef dat zijn zoon de vrijheid wel zal smaken. Het blanke establishment zie je louter wreed loensen en lachen.

Het betere Hoe duur was de suiker zoekt weer erg veel nuance. De film speelt anno 1747 in de wereld van joodse planters in Suriname, dan leverancier van suiker, koffie en cacao. Naast wat blanke hufters kent de film vooral welwillende patriarchen en ruggegraatloze Verlichters. Even genuanceerd ligt het bij de slaven: timmerman Caesar loopt weg en sluit zich aan bij de bosnegers, of ‘marrons’, Alex koopt door hard werk zijn vrijheid en het recht om schoenen te dragen. Van de Velde kiest resoluut de kant van de conformist: de guerrillastrijd verandert Caesar in een plunderaar, hoewel net geen verkrachter: die nuances houdt Van de Velde ook in het oog.

„De rebel die onderdrukker wordt”, zegt de regisseur. „In Afrika eindigde de strijd tegen kolonialisme in Mobutu, Mugabe of Idi Amin.” Zo’n vergelijking ligt voor de hand voor Van de Velde, die opgroeide in Congo en Burundi en de (neo)koloniale verhoudingen kent: de warme, familiale band met zwart personeel, de impliciete aanvaarding van raciale hiërarchie. „Toen mijn vader een zwarte voorman aanstelde, leidde dat tot muiterij onder de arbeiders. Waarom zouden wij een zwarte gehoorzamen?”

Verdorven maar mooi

Het maakt begrijpelijk dat Van de Velde de slavenwereld van Suriname met enige weemoed filmt: moreel verdorven maar mooi, zoals heldin Sarith. „Het heeft iets bizars, die kolonisten met hun pruiken, dikke jassen en schilderijen, blanke soldaten die in het oerwoud als vliegen stierven. Een tragische vergissing, kolonisatie.” Maar slavernij simpelweg veroordelen vindt hij oninteressant; wat hem boeit zijn de ideologie en stilzwijgende afspraken die de delicate raciale balans in stand hielden. „Natuurlijk is slavernij mensonterend, maar hoe denken ze over twee eeuwen over ons? Mensen die iPhones kopen die door kinderen zijn gemaakt? Toen zagen ze slaven als huisdieren: ‘marrons’ betekent ‘weggelopen vee’. Maar als een plantagehouder zich erg misdroeg, volgde sabotage, weglopen of moord.”

Genuanceerde observaties die minder in de smaak vallen als je slavernij ziet als een ‘zwarte holocaust’ die herstelbetalingen vereist. De verteller bepaalt wat het verhaal is, kunnen zij tegenwerpen. En Van de Velde kiest als verteller welbewust de timide Mini-Mini, die haar lot aanvaardt. En niet, zoals het Amerikaanse 12 Years a Slave, iemand die zich verzet.

Verheerlijkt hij zo niet Oom Tom boven Malcolm X of Martin Luther King? Moeilijke materie, erkent de regisseur: hij verwelkomt een debat. „De paradox is: in Suriname zijn de standpunten over slavernij scherp en de emoties heftig. Tegelijk is men daar meester in kleurenlabels. Over drie eeuwen, als wij allemaal lichtbruin met spleetogen zijn, kunnen we er misschien pas redelijk over praten.”