Ook Chinezen hebben moeite met het Chinees

Soms krijgt de student Chinees in mij van een krantenbericht een goed humeur. Zo’n 400 miljoen Chinezen spreken helemaal geen standaard Chinees (Putonghua ofwel normaaltaal) en zeventig procent maakt voortdurend uitspraakfouten, rapporteerden de staatsmedia op zorgelijke toon. Zie je wel, dacht ik al, half China worstelt ook met de taal, die in mijn mond spieren heeft geactiveerd waarvan ik het bestaan nooit heb vermoed.

De wetenschap dat honderden miljoenen tijdelijke landgenoten ook fouten maken bij het uitspreken van de ‘si’s’, ‘shi’s’, de ‘xi’s’, de ‘zhi’s’, de ‘qi’s’, de ‘chi’s’ om de ‘ji’s’ en de ‘yi’s’ niet te vergeten, heeft een louterende werking.

Daadkrachtig als zij zijn, hebben de Chinese leiders meteen een nationale campagne georganiseerd om boeren, minderheden en de bewoners van de nieuwe steden in het westen een juist gebruik van de vier klanktonen bij te brengen. Naar klassiek communistisch gebruik worden studenten en scholieren tijdens de herfstvakantie, die vandaag begint, het platteland opgestuurd om Putonghua-lessen te geven in gebieden waar de regionale en locale dialecten domineren.

En dat is eigenlijk in heel China het geval. Er worden volgens het Chinees Bureau voor Statistiek 80 dialecten of subtalen gesproken met het Kantonees (120 miljoen sprekers) en het Shanghainees (75 miljoen sprekers) als koplopers.

Zelf ging ik deze week, verlost van de illusie ooit vloeiend Chinees te zullen spreken, met nog meer plezier dan gewoonlijk naar mijn wekelijkse gesprekslessen. Dankzij mijn ‘laoshi’, mijn lerares Fu Yan, een Han-Chinese uit Binnen-Mongolië, kan ik in het Chinees het ijs breken, over politiek en het Nederlands voetbal praten en, mits goed voorbereid, niet al te ingewikkelde interviews doen. Rode wijn en Chinese maotai zijn overigens bevorderlijk voor de uitspraak, heb ik ontdekt.

Vloeiend Chinees leren spreken is alleen weggelegd voor degenen die daar als peuter mee begonnen zijn of een leven lang 60 uur per week studeren, zegt lerares Fu Yan vaak. En dan nog, zo blijkt dus uit overheidsonderzoek, laat de beheersing van het Putonghua onder honderden miljoenen Chinezen behoorlijk te wensen over. „Nou en? Mensen maken veel fouten omdat zij de officiële taal vermengen met hun dialecten. Dat is inderdaad moeilijk voor buitenlanders, zoals jij, die alleen het formele Putonghua leren, maar voor Chinezen is het geen punt. Mao Zedong en Deng Xiaoping waren ook nauwelijks te verstaan als zij Putonghua spraken”, legt Qian Nairong uit. Hij is als hoogleraar Shanghainees een van de belangrijkste verdedigers van subtalen tegen het geforceerd gebruik van Putonghua.

Qian: „Voor de politieke eenwording heb je niet per se een taal nodig en voor de economische ontwikkeling evenmin. Ik ben niet tegen het gebruik van het Putonghua, want daardoor kunnen mensen uit het noorden en het zuiden elkaar verstaan, maar wel tegen de pogingen het Shanghainees, het Kantonees en andere dialecten te onderdrukken”.

Het Shanghainees loopt inderdaad gevaar, het Kantonees wordt beter beschermd. „In het diepe zuiden is het Putonghua-regime milder dan hier in Shanghai”, legt Qian uit.

Qian besluit met een in een betoogje verpakt advies. „Beijing verspilt veel energie aan de verspreiding van het Putonghua, van oorsprong de schrijftaal van de ambtenaren. Dialecten houden een rijke, geschakeerde cultuur in stand. En fouten maken is niet zo erg, dat doet dus bijna iedereen. Niet alleen door de vermenging van het Putonghua en de 80 dialecten, maar ook door de opkomst van sms en e-mail. Jongeren hebben steeds meer moeite met het schrijven van de karakters omdat zij het geromaniseerde schrift Hanyu Pinyin gebruiken op hun digitale apparaten. Ik raad je aan vooral door te gaan met het leren van de gesproken taal”. „Misschien”, suggereert hij, vriendelijk vilein grijnzend, „moet je er ook Shanghainees en het Kantonees bij doen’’.