Niet als een blaadje met de wind meewaaien

Bram van Montfoort trok in 2012 de internetkabel uit zijn computer en deed zijn mobiele telefoon weg Hij schreef er Een jaar offline over Hij werd introverter, selectiever. En ging op zoek naar zijn vader

„Liken op Facebook? Dat is: hoi ik ben er nog... hoi ik ben er nog.” Foto Arjen Born

Redacteur Media

Op 8 augustus komt er een brief binnen op de redactie. ‘Wanneer heb je voor het laatst een handgeschreven brief gekregen?’ begint de briefschrijver. ‘Denk er even over na.’

‘Intussen zal ik je vertellen waarom ik je schrijf’, vervolgt hij. ‘Mijn naam is Bram. Ik studeer aan de School voor Journalistiek en in 2012 heb ik een jaar zonder internet en mobiele telefoon geleefd’.

Ruim een maand later. We zitten op de bank in het huis van de schoonouders van Bram van Montfoort (26) in Amsterdam. Hij denkt na bij een vraag en neemt tijd voor een antwoord. Voor hem op tafel ligt Een jaar offline, het boek dat Van Montfoort schreef over zijn experiment. Het boek verschijnt deze week.

Op 1 januari 2012 trok Bram de internetkabel uit zijn computer. Hij zette zijn mobiele telefoon uit en gaf zijn iPad weg. Er kwam een typmachine. Een oude, ‘vaste’ PTT-telefoon. Een adresboekje en een dvd met porno, die Van Montfoort kocht in een sekswinkel en mee naar huis nam in een anoniem, plastic tasje.

Wat gebeurt er als je internet weghaalt uit een online leven? Als je altijd maar checkt, checkt en checkt en ineens tijd hebt om je te vervelen?

Hoe verander je?

Een weekend in Londen met zijn toenmalige vriendin was de druppel. Ze zou naar Australië vertrekken, voor lange tijd. Nog één avond met z’n tweeën.

Maar in het hotel moest Van Montfoort toch nog even zijn mail checken. Hij kon het niet laten.

Toen dacht je: het is klaar?

„Ik dacht: is het niet een beetje te veel geworden? Is het niet te ver doorgeschoten met ons internetgebruik? Ben ik verslaafd? Ik wilde een statement maken. En kijken of ik het kon.”

Had je er last van?

„Ja, echt. Soms was het 2, 3 uur ’s nachts en wilde ik gaan slapen, maar moest ik toch mijn e-mail kijken. Even googlen, een artikel lezen. Dan pandafilmpjes kijken op YouTube. Dan een pornosite. Ik was altijd afgeleid, altijd onrustig. Ik had gedachten die steeds snel door mijn hoofd flitsten. Ik dacht: ik zou voortdurend dingen kunnen checken. Alleen al met dat in m’n achterhoofd raakte ik afgeleid.

„Internet trekt heel erg. Het is de krachtigste vorm van afleiding. De interactie, de ongekende mogelijkheden. Het vraagt voortdurend input.”

Wat gebeurde er toen je stopte?

„Ik voelde me een blaadje dat zich door de wind liet meewaaien. Je weet niet alles, je bent niet op de hoogte van de laatste wijzigingen in het treinverkeer. Je weet niet wat er precies te doen is in die bioscoop, bij dat feestje. Eerst had ik er moeite mee, daarna vond ik het heerlijk. Ik liet me meevoeren. Ik liep al dromend door de stad tot ik bij mijn bestemming was. Als ik terugkwam van vrienden zat ik nog lang met alle gesprekken in mijn hoofd. Het was minder abrupt allemaal.

„Als ik opstond, in m’n studentenhuis, pakte ik vroeger altijd als eerste mijn iPad. Toen ik offline ging, had ik geen ochtendritueel. Mijn dromen bleven langer hangen. Ik had tijd over. Tijd om na te denken. Wat is belangrijk? Ik realiseerde me dat ik meer over mijn biologische vader in Portugal wilde weten. Ik merkte dat ik over mijn vader droomde. Ik stond op, ging naar de woonkamer om een kopje thee te zetten en dacht dan nog steeds aan hem.”

„Ik werd stiller, rustiger, introverter, zeker in groepen. Ik begon het fijner te vinden om één op één met mensen te praten. In een studentenhuis zit je in een woonkamer met acht man en heb je gesprekken die binnen een seconde schakelen. Daar deed ik minder aan mee. Dat kon ik minder goed.”

Is het asociaal om onbereikbaar te zijn? Of is het asociaal om te eisen dat iemand altijd bereikbaar is?

„Daar ben ik niet helemaal uit. Ik ben het contact verloren met vage vrienden en sommige kennissen, omdat het moeite kostte om contact met me te krijgen. Ik schreef een brief naar sommige mensen, die dan geen brief terugstuurden. Dat vonden ze vervelend, of te veel gedoe. Dat was het dan.”

Na precies een jaar kroop Van Montfoort voor het eerst weer achter een computer. In Duitsland, waar hij alleen naartoe was gereisd. Hij had verjaardagsfelicitaties op Facebook, ook van mensen die wisten van zijn experiment. En tweeduizend nieuwe e-mails. Weer op internet zijn voelde bevreemdend en tegelijkertijd bevrijdend, vertelt hij. Hij las op Facebook dat er studiegenoten in Duitsland waren, die hij kon opzoeken.

Hoe ben je veranderd?

„Internet is niet meer mijn eerste manier om sociale situaties op te lossen. Als ik met mensen afspreek, kijk ik wel hoe ik er kom. Ik ben over sommige dingen anders gaan denken. Het is niet asociaal een dag niks van je te laten horen. Sommige mensen vinden dat vervelend, ook mijn uitgever trouwens. Ik reageer niet meteen.

„Ik ben selectiever. Ik hoef niet meer alles te weten. Ik hoef niet overal bij te zijn en hoef niet overal van op de hoogte te zijn. Ik ben afgeknapt op het liken van Facebook. Dat is toch een vrij stompzinnig iets, dat liken? Het is hoi ik ben er nog.... hoi ik ben er nog, hoi ik ben er nog, hoi ik ben er nog.”

„De vraag is, past het in het werkende leven? Kan ik een baan vinden en dit volhouden?”

Tijdens zijn jaar offline bezoekt Van Montfoort zijn vader twee keer in Portugal, voor het eerst sinds zijn zestiende. Zijn vader, een Portugese journalist, zag zijn moeder nooit meer na de avond dat hij werd verwekt. Als Een jaar offline een bestseller wordt, wil hij naar Portugal vertrekken en daar voor onbepaalde tijd wonen. Om het land beter te leren kennen, zegt hij.

En om dichterbij je vader te zijn?

„Ik hoef hem daar niet dagelijks te zien. Hij heeft ook zijn eigen familie daar, hè? Die weet niet dat ik besta. Ik heb halfbroers en halfzussen, die heb ik nooit gezien. Het moet allemaal een beetje geheim blijven.”

„In zekere zin lijken we ook wel op elkaar, mijn vader en ik. Hij schrijft ook boeken. Ik wil natuurlijk wel wat laten zien als ik daar kom. Ik ben blij dat ik straks mijn boek in mijn handen heb en kan zeggen: kijk eens.”