Keeper

Frank de Boer bukte zich naar het ijskastje naast zijn bureau. „Flesje fris?” vroeg hij. „Colaatje”, zei Kenneth Vermeer, terwijl hij op de stoel voor het bureau ging zitten. De Boer zocht vruchteloos en mopperde binnensmonds: „Het is allemaal wat minder sinds Overmars directeur is. Spaatje dan maar?” Vermeer knikte afwezig.

„Oké”, zei De Boer terwijl hij achter zijn bureau plaatsnam. Hij was een man van weinig woorden, ze kwamen als harde kiezels uit zijn mond, alsof spreken iets was dat hij met grote tegenzin deed. Hij maakte daardoor een norsere indruk dan hij in werkelijkheid was. Misschien was het vooral verlegenheid. „Hoe vond je het zelf, gisteren?” vroeg hij.

„Kut”, zei Vermeer. Hij hing een beetje scheef op zijn stoel, alsof hij onverschilligheid wilde veinzen. „En verder?” vroeg De Boer. Vermeer haalde zijn schouders op. „We hebben het allemaal kunnen zien”, zei hij. Er trok een rimpel van ergernis over het gezicht van De Boer. „Ik wil het van jóú horen.”

„Ik had die bal vast en toen liet ik hem weer los”, zei Vermeer. De Boer zuchtte. „Het was niet de eerste keer, Kenneth.” „En ook niet de laatste keer”, zei Vermeer.

„Ja, dat heb je ook tegen de pers gezegd”, zei De Boer, nijdiger nu dan hij zich had voorgenomen, „wat is er met je aan de hand, waarom zeg je die dingen?” „Omdat het zo is”, zei Vermeer, „omdat elke keeper fouten kan maken.”

„Dat is me te makkelijk”, zei De Boer, „jij maakt er dit seizoen te veel. Heb je geen vertrouwen meer?” Hij bedoelde zelfvertrouwen, maar in de Nederlandse voetbalwereld hebben ze zich om onnaspeurbare redenen aangewend om ‘zelf’ weg te laten. „Te weinig misschien..”, aarzelde Vermeer. „Hoe komt dat?” vroeg De Boer. Hij voelde zich steeds ongemakkelijker in deze situatie, hij was verdomme geen psycholoog, maar voetbaltrainer.

„Ik weet het niet”, zei Vermeer, „weet jij waarom je toen bij het EK die twee penalty’s tegen Italië miste?” Het was eruit voor hij het besefte. Hij had zijn trainer beslist niet willen kwetsen door hem te herinneren aan zijn eigen voetbaltrauma, want hij mocht hem eigenlijk wel. De Boer moest de vraag even verwerken, hij deed of hij niet geraakt was, toen zei hij: „Het lag in de eerste plaats aan mezelf.” Toen voegde hij er zonder te veel nadruk aan toe: „Maar er stond ook een hele goeie keeper.”

Vermeer knikte. „Ik wil alleen maar zeggen: je weet nooit precies waar het aan ligt. Waarom heb ik nu opeens geen vertrouwen meer en vorig seizoen nog wel?” De Boer keek hem strak aan en zei: „Je kunt fantastisch keepen, Kenneth, maar je hebt altijd rare foutjes gemaakt.”

Ze zwegen. De Boer wilde Vermeer nog een drankje aanbieden, maar hij zag dat hij nog nauwelijks van zijn flesje gedronken had.

„Speel ik nog?”

De vraag klonk als een pistoolschot, Vermeer schrok er zelf van – maar wat had hij te verliezen? De Boer kon de directheid van de vraag wel waarderen, dat was per slot van rekening de reden dat ze daar zaten. „Woensdag keept volgens afspraak Cillessen voor de beker…” zei hij. „En daarna – als hij het goed doet?” vroeg Vermeer.

De Boer kuchte. „Dan blijft hij staan.”

„Dat is alles wat ik wilde weten”, zei Vermeer. Hij stond op, een sterke, atletische man. De Boer had nog iets tegen hem willen zeggen, maar er schoot hem zo gauw niets te binnen.

Frits Abrahams