Dit is wat ik het beste kan

Thijs Maas (32) is zanger en cabaretier, maar het liefst schrijft hij liedjes. „Het is voor het eerst dat ik me niet meer een klein beetje schaam.”

Foto Andreas Terlaak

Achteraf kan hij erom lachen. Maar toen viel het wel even stil: Thijs Maas beklom het podium van een kleinkunstfestival na de aankondiging: „Dames en heren, hier is hij dan, uit Eindhoven, Theo Maassen!” „Ja, dat was lullig”, zegt Thijs (32). „Gelukkig kon ik meteen een grapje maken. Sorry jongens, ik ben het maar, die gast die jullie juist helemaal niet kennen.”

Sinds hij in 2007 zowel de publieksprijs als het concours om de Wim Sonneveldprijs op het Amsterdams Kleinkunstfestival won, timmert Thijs Maas hard aan de weg. Dit seizoen staat hij in de theaters met CONCERT, zijn derde avondvullende programma waarin hij, begeleid door een jazztrio, liedjes zingt die hij zelf schreef of geschreven had willen hebben. Die liedjes, Nederlandstalige pop op de grens van jazz en theater, verschijnen deze week op het album STUDIO.

Ondertussen werkt Maas samen met muzikant Wilko Sterke voor muziektheatergezelschap Orkater aan Meesterwerk, een voorstelling gebaseerd op het boek Narziss en Goldmund van de Duits-Zwitserse auteur Hermann Hesse. Ja, dat is best een pretentieuze titel, geeft hij toe. „We willen gewoon zo hoog mogelijk inzetten en kijken waar het schip strandt. Een voorstelling met dans en muziek, een groots, visueel totaalspektakel, dat is het plan. Maar het boek is natuurlijk ook een meesterwerk, zo kunnen we het dan wel weer verdedigen.”

Het was niet zijn plan cabaretier te worden. Op een zonovergoten terras aan het Museum-plein vertelt hij hoe hij op zijn zeventiende van Brabant naar Amsterdam verhuisde om film- en televisiewetenschappen te studeren. Dat bleek zo saai dat hij na een half jaar besloot iets anders te gaan doen. „Ik was altijd al bezig met muziek maken, en deed sinds de middelbare school aan cabaret. Maar niemand had me ooit verteld dat er zoiets bestond als een Kleinkunstacademie.” Hij deed auditie en werd aangenomen. Na de Kleinkunstacademie volgde hij de master theaterzang jazz aan het conservatorium, waar hij cum laude en als eerste student ooit afstudeerde.

Je speelde in een film, in televisieseries, maakt theater, zingt en schrijft liedjes. Wat antwoord je als iemand vraagt wat voor werk je doet?

„Dan zeg ik… dan zeg ik nu meestal zanger. Ja. En liedjesschrijver. Singer-songwriter, dat is het misschien. Maar ik zeg het niet in het Engels. Dan denken mensen dat ik met mijn haar voor mijn ogen mijn eigen zieleroerselen sta te bezingen. Dat is een beeld dat niet past bij wat ik doe. Liedjes schrijven vind ik het leukste om te doen. Daar sta ik ook het meest achter. Het is voor het eerst dat ik me niet meer schaam. Ik had altijd reserves, het voelde alsof ik iets forceerde. Nu ik voornamelijk met muziek maken bezig ben, is dat gevoel weg. Dit is wat ik het beste kan.”

Je bent opgegroeid in Eindhoven, kwam op je zeventiende naar de Randstad. Heb je je moeten aanpassen?

„Mijn Brabantse accent heb ik op de Theaterschool netjes afgeleerd. Wat ook typisch Brabants is, is wat ik de alles-komt-goedmentaliteit noem. Dat is Brabants, omdat het katholiek is. Er is leven na de dood, dus alles komt letterlijk goed. Ik ben niet katholiek opgevoed in de zin dat we naar de kerk gingen, maar ik geloof wel dat die overtuiging in het DNA van Brabant zit. Mijn tweede voorstelling gaat daarover. Daar speelde ik een protestzanger die daarmee wil afrekenen.”

Sommige cabaretiers lopen juist te koop met dat Brabantse. Hans Teeuwen, Theo Maassen...

„Mij zat het in de weg, die neiging om alles glad te strijken. Daarmee wordt het moeilijk om problemen te bespreken. En ik speel ook geen typetjes zoals Hans Teeuwen of Theo Maassen. Wat dat betreft ben ik ook niet zozeer een komiek, meer een verhalenverteller.”

Verhalen over jezelf?

„In een voorstelling probeer ik mijn publiek altijd te laten denken dat het heel persoonlijk is. Want dat denken mensen vaak, toch? Oh, dit is heel persoonlijk, dat maakt het extra mooi. Maar het doet er eigenlijk niet toe. Het maakt niet uit of iets waargebeurd is, als het maar waar is. Een liedje als ‘Ik heb vandaag een hond gekocht’, dat gaat natuurlijk helemaal niet over die hond. Ik héb helemaal geen hond gekocht. De werkelijkheid van het lied is dat er een liefde op niets is uitgelopen. ”

Als je op het podium staat ben je dus eigenlijk een personage.

„Ja, maar dat is iedereen. Ook al zeggen ze van niet, het is wel zo. Een zanger van een band heeft ook een alter ego. Daar is hij zich misschien niet van bewust, maar het is er wel. Het is zelfs zo sterk dat je op een gegeven moment gaat leren hoe je alter ego zich beweegt, hoe hij praat, wat voor taal hij gebruikt. Kleinkunst, zeker cabaret, houdt vaak in dat je speelt met wat je aan je reet hebt hangen. Mensen zeggen weleens dat ik aan m’n reet heb hangen dat ik een beetje arrogant ben.”

Ja.

„Haha, ja. Dat komt dus de hele tijd terug. Eerst dacht ik steeds: maar dat ben ik niet! Terwijl het eigenlijk heel leuk is dat te gebruiken. Je kunt niet om je persoonlijkheid heen, maar je kunt ’m wel vormgeven. Daarom heb je juist in de kleinkunst een regisseur nodig. Dat is inmiddels heel gebruikelijk, maar dat was het lang niet. Zelf kun je vaak niet zien hoe je overkomt. Een regisseur kan dat wel. Die zegt: zo kom jij over en daar moeten we mee spelen.”

Daar ben je gevoelig voor?

„Ja, neem bijvoorbeeld het liedje ‘Geen reden’. Ik ben best wel een perfectionist. Ik kan heel erg bezig zijn met het helemaal goed te willen doen. Wat goed gedrag is. Ik weet niet waarom, maar dat houdt mij bezig. Een keer zei ik in een bijzin tegen Ruut Weissman, de regisseur van mijn laatste voorstelling: ‘Ja, ik ben er eigenlijk altijd mee bezig mensen geen reden te geven om niet van mij te houden.’ Toen riep hij: ‘Ho! Wacht! Stop! Die zin, dat is het. Dat is wat ik zie bij jou.’ Ik begreep later pas hoe goed dat klopte. En wat de paradox eraan is, wat het interessant maakt. Mensen houden van dat wat imperfect is aan mensen. Alles wat perfect is, is gewoon… Tja... Dood.”