Die Duitse keuze helpt Nederland

Duitsland heeft gekozen en krijgt mogelijk een ‘grote coalitie’. Maar ook daarin zal Merkels EU-koers dezelfde blijven, schrijft Marnix Krop.

illustratie petar pismestrovic

Europa’s onbetwiste leider, Angela Merkel, is dat nu ook in eigen land. De Duitse kiezers hebben dit niet te missen signaal afgegeven. Merkel, die wonderbaarlijke figuur uit de jongste Duitse geschiedenis, heeft al haar belagers van zich afgeschud en zich in het hart van de Duitse politiek genesteld. Niemand kan meer om haar heen. Wat betekent dit, en welke gevolgen heeft het voor Nederland?

Eerst iets over de uitslag en de gevolgen. Merkels CDU/CSU heeft op een haar na de absolute meerderheid in de Bondsdag gemist. Coalitievorming is dus geboden. Los van een hoogst onwaarschijnlijke en onstabiele variant van een regering van SPD en Groenen met steun van Die Linke, gaat het daarbij om een keus tussen ‘zwart-rood’ (CDU/CSU en SPD) en ‘zwart-groen’. Met haar zwenking inzake atoomenergie heeft Merkel de weg voor politieke samenwerking met de Groenen vrijgemaakt. Ook op Europees vlak ontlopen de twee partijen elkaar weinig. Toch lijkt dit voorlopig een onbegaanbare weg, door ondermeer de zwakke positie waarover zo’n christelijk-groene coalitie in de Duitse senaat (Bondsraad) zou beschikken.

De ‘zwart-rode’ optie er stabieler uit. Het zou de derde editie (na 1966-1969 en 2005-2009) zijn van een ‘grote coalitie’ tussen CDU en SPD. Zo’n christelijk-sociale regering geniet de voorkeur van veel Duitse kiezers, zou op meer dan driekwart van de stemmen in de Bondsdag kunnen bogen en zal er dus ook wel komen. Toch zal dit niet van een leien dakje gaan, niet omdat beide partijen programmatisch ver uit elkaar staan – ook Europees niet . Maar vooral de SPD zal veel partijbelang moeten wegslikken om na de electorale afgang van 2009 weer met Merkel in zee te willen gaan. Het belooft een langdurige regeringsvorming te worden.

Dat de tegen Merkels eurobeleid gerichte partij Alternative für Deutschland onder de kiesdrempel is gebleven, kan Merkel als succes zien. Toch zal dit resultaat de nieuwe Duitse regering ook wijzen op het sluimerende ongenoegen bij veel kiezers over de euro. Ook kan hier of daar een partijstrateeg op de gedachte komen dat er uit dit potentieel aan onvrede een politiek slaatje valt te slaan. De verdere ontwikkeling van de nu buitenspel geraakte liberale FDP verdient ook daarom aandacht.

Europa stond overigens niet centraal in deze campagne. Die ging veel meer over energie, belastingen en het minimumloon. Indirect misschien wel: Merkel stelde immers nadrukkelijk de vertrouwensvraag. Duitsers kunnen niet anders dan Europees zijn. Daar zorgt de geschiedenis voor. De Europese integratie heeft ook voor de Duitse bevolking voor een bevredigende oplossing van het ‘Duitse probleem’ – te groot voor Europa, te klein voor de wereld – gezorgd. Bijna geen Duits politicus die een weg buiten de EU om ziet. Toch heeft de Duitse leidersrol in de eurocrisis de vraag opgeworpen of Duitsland inderdaad niet bezig is weer te groot voor Europa te worden. Of niet het Europese Duitsland bezig is een Duits Europa te scheppen.

Dat Duitsland, na decennia van politiek duikgedrag, zich plotseling als grote mogendheid zou ontpoppen, is niet echt te geloven. Het land mist daarvoor onmisbare attributen als militaire macht en ook de politieke wil en cultuur die voor zo’n rol onontbeerlijk zijn. Zelfs in de eurocrisis is Duitsland niet meer dan een reluctant hegemon, een aarzelend leider. Tegelijk heeft het land bij de aanpak van die crisis gaandeweg wel het voortouw genomen. Omdat de situatie erom vroeg en de aangedragen oplossingen wel erg tegen Duitse opvattingen en belangen ingingen.

In feite is de EU sinds 2010 bezig het centrale geboortedefect van de euro te herstellen. De euro is een gemeenschappelijke munt zonder dat de eurozone een staat vormt, met een eenvormige begrotingspolitiek en dito financieel-economisch beleid. Dit houdt in dat we gezamenlijk de schuldenberg moeten reduceren, de wankele financiële sector saneren en het concurrentievermogen van onze economieën opkrikken. De daarvoor nodige voorzieningen op Europees niveau, vooral wat begrotingsdiscipline betreft, zijn grotendeels op hun plaats. Nu gaat het vooral om ervoor te zorgen dat alle lidstaten zich aan de gemaakte afspraken houden en zich in eigen land voor herstel en opbouw inzetten. Zonder Duitse druk was dit alles niet tot stand gekomen: geen solidariteit zonder soliditeit. Ook een ‘grote coalitie’ zal aan dit Duitse beleid vasthouden, met iets meer retorisch begrip voor de conjuncturele gevolgen en de sociale kosten ervan.

Nederland heeft in Merkels Duitsland een bondgenoot. De Duitse aanpak sluit bij onze opvattingen aan. We hebben elkaar ook kunnen versterken. Dat zal de komende jaren niet minder het geval zijn. Vooral bij de vormgeving van de bankenunie en ook het verdere structuurbeleid zullen we elkaar nodig hebben, vooral in relatie tot het tegen hervormingen aanhikkende Frankrijk. Ook het voorkomen van een Brits uittreden – referendum in 2017 over EU-lidmaatschap – vormt een gezamenlijk belang. Meer Europa, minder Europa, of een beter Europa – wij vervullen hier een voor Duitsland nuttige brugfunctie. Zo kan Nederland ertoe bijdragen dat Duitsland verder Europees ingebed blijft en Europa tegelijk wat Duitser – lees: gedisciplineerder en succesvoller – wordt.