Bij mild autisme is placebo beter dan medicijn

Alleen als kinderen ernstige gedragsproblemen hebben, of als hun ouders uitgeput zijn, is een medicijn beter.

Kinderen met mild autisme, waarvan de verzorgers niet zijn uitgeput, verbeteren vaak meer door een neppil te slikken dan een echt medicijn. Autisten met flinke gedragsproblemen en gestresste ouders zijn wel beter af met het echte medicijn. Dat vonden psychiaters die opnieuw keken naar hun eerdere onderzoek waarin het antidepressivum citalopram (een SSRI) werd vergeleken met een neppil. Daaruit rolde dat het placebo iets beter werkt: 32,9 procent van de deelnemers verbeterde duidelijk met citalopram, terwijl 34,2 procent van de neppilslikkers erop vooruitging. Dat onderzoek is al in 2009 al gepubliceerd.

Nu beschrijven die onderzoekers in JAMA Pediatrics hoe ze bij de bijna 150 5- tot 17-jarige kinderen die aan het onderzoek meededen op zoek gingen naar eigenschappen die (achteraf gezien) voorspelden of ze beter op neppil of medicijn zouden reageren. Die eigenschappen waren er dus. De kinderen met ernstige gedragsstoornissen, die ook angstig waren, en verzorgers die het niet meer aankonden, hadden wel wat aan een SSRI. De kinderen met licht autisme waren beter af met placebo. Het criterium was of de kinderen na 12 weken medicijn of placebo ‘beter’ of ‘veel beter’ functioneerden dan voor die tijd.

Een placebo-effect ontstaat in elk geval door deelname aan een wetenschappelijk onderzoek. De deelnemers krijgen aandacht. Er wordt beter op hen gelet. Ze moeten iedere dag een pilletje slikken en worden iedere maand onderzocht. Dat geeft structuur en structuur is goed voor autisten.

De onderzoekers sommen trouwens moeiteloos een twintigtal onderzoeken op naar medicatie bij jonge autisten waarin de placebobehandeling ook succesvol was. Of althans: in de genoemde studies voelde krap 20 tot 50 procent van de placeboslikkers verbetering. Soms deed de placebo het beter dan de echte pil. En in de andere onderzoeken was het verschil niet groot.

Dat bescheiden effect van geneesmiddelen, schrijven de onderzoekers, is eigenlijk schering en inslag bij de behandeling van psychiatrische kinderziekten. „Soortgelijke resultaten zijn gerapporteerd voor depressie en angststoornissen bij kinderen”, schrijven de onderzoekers.

Medicijnen tegen autisme staan in de Verenigde Staten veel meer in de belangstelling dan in Europa. Het staat vast dat tegen autisme op zichzelf geen medicijnen bestaan. Maar tegen het rigide, repetitieve gedrag, tegen emotionele ontsporing en tegen angsten worden wel medicijnen ingezet. En er is vaak een grote overlap tussen autisme- en adhd-kenmerken. Tegen het drukke gedrag krijgen die patiënten dan adhd-medicijnen, zoals Ritalin.

Het is onbekend hoe vaak in Nederland kinderen met autisme medicijnen krijgen voorgeschreven, maar het advies is om dat terughoudend te doen. En om SSRI’s, zoals die in dit onderzoek werden onderzocht, in lage doseringen voor te schrijven. En er wordt gewaarschuwd tegen de bijwerkingen.

Hoe kan het dat placebo’s het beter doen dan echte medicijnen? Een commentator bij het artikel in JAMA Pediatrics speculeert erover. Hij veronderstelt dat een SSRI misschien de gunstige werking van de placebobehandeling onderdrukt. „Natuurlijk”, schrijft hij, „vereist dit dat je over placebo’s als behandeling nadenkt, wat een redelijk, maar te vaak veronachtzaamd gezichtspunt is. Iedere patiënt verdient het dat het optimale uit een placebobehandeling wordt gehaald.” Voor kinderen met mild autisme betekent dit, volgens de commentator, dat er niet te snel naar medicijnen moet worden gegrepen, maar dat regelmatige controle, zoals tijdens onderzoeken plaatsvindt, goed te combineren valt met een onschuldig voedingssupplement.