Vergeet je deftigheid

Volgens de schrijver Stefan Themerson antwoorden Fransen steevast met ‘Mais, non!’, terwijl Engelsen hun antwoord beginnen met ‘Oh yes’. En nu boft u, want ik heb zojuist besloten Engelser te worden en minder Frans. Ik ga stoppen met de ontkenning. Streven naar een vorm van bevestiging waar u ongetwijfeld dan weer de vruchten van plukt. Hoe lang dit voornemen zal stand houden, weet ik niet, want ik ben al net zo vaak met nee zeggen gestopt als rokers met roken. Meestal stopte ik wanneer de wijze uitspraak van Leibniz voorbijkwam die ik van de Denker des Vaderlands heb geleerd. „Ik vind dat de meeste filosofen gelijk hebben in een groot deel van wat ze staande houden, maar niet in dezelfde mate in dat wat ze van de hand wijzen.” (Ich finde das die meisten Philosophen in einem guten Teil von dem, was sie behaupten, recht haben; nicht jedoch im selben Maße in dem was sie ablehnen). Voor de Vaderlandse Denker is dit altijd weer aanleiding op te roepen tot positie kiezen, poneren, stelling nemen, daadwerkelijk iets beweren. Minder afwijzen, afbreken, nee zeggen en negeren.

Deze dagen kom je positie en negatie opnieuw tegen in het gesprek over salonpopulisme. Volgens Pieter van Os, die de term muntte, verwarren salonpopulisten afbreken met meedenken. Een politicus of bestuurder neemt een besluit – en buitenstaanders ‘in gevestigde kringen en onder hoog opgeleide Nederlanders’ wijzen het en masse van de hand. In het nee zeggen komen kritiek en conformisme samen: iedereen zwemt gelijktijdig en op exact dezelfde manier tegen de stroom in.

Dit alles overwoog ik vanmorgen. Ik wilde af van het nee zeggen: het is een val uit genade. En dat besef, samen met de niet minder fel oplaaiende overtuiging dat ik zelf veel te stom ben om u ‘ja’ te bieden, en nog zo wat gerommel in mijn denken, bracht mij op Rousseau. En Pascal. En La Rochefoucauld. En op de gedachte dat ons talent om iets positiefs bij te dragen afhangt van onze waardering voor onszelf.

Halverwege de zeventiende eeuw schreef La Rochefoucauld dat eigenliefde, amour-propre, leidt tot verheerlijking van jezelf en tirannie over anderen.

Eigenliefde, schreef hij, staat alleen maar stil bij anderen zoals bijen stilhouden bij bloemen: om er iets uit te halen. Pascal zag het rond diezelfde tijd nog veel zwarter. Want eigenliefde laat je inderdaad blindstaren op je zelf, maar omdat dat zelf per definitie mislukt is, moet je er flink op los liegen om er toch van te kunnen houden.

Het zelf wil groot zijn, schrijft hij in zijn Pensées, maar het weet dat het klein is. Het wil volmaakt zijn, maar het beseft vol feilen te zitten. Het wil door anderen bemind en bewonderd worden, maar het begrijpt dat het vooral hun minachting verdient. En omdat dit een pijnlijke situatie is, wil het de waarheid niet zien, en al helemaal niet in andermans ogen.

Hier kickt de participatiemaatschappij in. Het zelf dat de hele dag zoekt naar bevestiging van zijn bestaan, stuit in de buitenwereld op het zelf van anderen, die ook naar bevestiging zoeken. Die anderen hebben invloed zolang ze je vleien en je afleiden van de mislukking die je van nature bent, maar dit vleien is nooit afdoende. Steeds weer ziet ieder zijn eigen manco’s terug in de ogen van de ander. En dus wordt men wederzijds onredelijk en kwaad. Het ‘nee’ zeggen, de weigering je eigen positie te herkennen in de positie van een ander, komt voort uit de weerzin van het zelf tegen zichzelf.

Ik ben bang dat ik Pascal hier schandelijk naar mijn hand zet, maar het gaat goed, dus laten we Rousseau ook nog even aandoen. En dan vooral zijn frivole essay tegen de beschaving, Discours sur les sciences et les arts, waarover ik bij toeval struikelde toen ik las over eigenliefde. Het is de moderne deftigheid, zegt Rousseau in de achttiende eeuw, die tot conformisme leidt, omdat de geest van iedere hoog opgeleide in dezelfde vorm wordt geperst.

„We zijn te bescheiden geworden om op te scheppen over onze eigen verdiensten, maar we deinzen er niet voor terug die van anderen te kleineren. We doen zelfs onze vijanden geen groot geweld aan, maar we belasteren ze vakkundig (… ) Onwetendheid wordt verfoeid; maar een gevaarlijk soort scepticisme is er voor in de plaats gekomen.” Het is veel vrolijker en verstandiger, zegt Rousseau, om een gevoel van eigenwaarde te hebben dat niet volledig afhangt van anderen. Niet wrokkig blijven hangen in de inferioriteit die je weerspiegeld ziet in de ogen van anderen, maar genoegen nemen met je zelf in al zijn beperktheid.

Dit leek me aan het eind van mijn ochtend wel een goed recept voor ja zeggen en bevestigen. En daarom, omdat ik me plots bekeerde tot deze huis-, tuin- en keukengoedheid, besloot ik alle groten van de geschiedenis maar eens aan het woord te laten, in plaats van zelf te gaan prutsen.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.