Universiteit kan niet zomaar met HBO fuseren

Hbo en universiteit horen niet bij elkaar. Wensdromen van Amsterdamse bestuurders stonden haaks op behoeften van studenten en capaciteiten van docenten, meent Leo Prick.

Illustratie Angel Boligan

Fusie UvA en HvA mislukking, kopte Het Parool vorige maand. Simon Korteweg, de hbo-voorzitter die tien jaar geleden de fusie inleidde, beaamde dat. Toenmalig directeur Jeroen Knigge was stelliger: ,,Inhoudelijk is er geen zak van terechtgekomen. Zonde van tijd en energie.”

Die fusie paste bij de onderwijsontwikkelingen op dat moment. Jankarel Gevers, toenmalig voorzitter van het College van Bestuur van de UvA, had een helder doel voor ogen. HvA-studenten met wetenschappelijke ambities konden zo gemakkelijker doorstromen naar de universiteit. En studenten die het op de universiteit niet redden zouden gemakkelijker kunnen terugvallen op de hogeschool. Ook wilden de instellingen een gemeenschappelijk oriëntatiejaar. Een soort brugklus waarin studenten een keuze konden maken tussen hogeschool en universiteit.

Achterliggende gedachte van de fusie? Hogeschool en universiteit opereren op het gebied van tertiair onderwijs zo’n beetje op hetzelfde niveau. Een misvatting.

Hogescholen zijn voor het overgrote deel het resultaat van fusies van onderwijsinstellingen zoals hts, pabo en heao die, qua inrichting, het beste te vergelijken waren met scholen voor voortgezet onderwijs. De schooldagen waren volgeboekt met lessen, de opleidingen vooral theoretisch, de docenten eerstegraads bevoegd, de lessen verplicht en de stages namen een beperkte ruimte in beslag. Toen de overheid hogescholen de ruimte gaf het onderwijs naar eigen inzicht in te richten, gingen de meeste fuseren. Naar universitair voorbeeld kwamen er colleges van bestuur en ook het onderwijs werd op universitaire leest geschoeid: minder lessen, meer hoorcolleges voor grote groepen. Verder creëerde men leerstoelen, waarvoor lectoren werden aangesteld. Hogeschool Fontys wilde zelfs een alliantie met een buitenlandse universiteit om het recht van promotie binnen te halen. Frans Leijnse, toenmalig voorzitter HBO-Raad, constateerde tevreden dat het verschil tussen hbo en universiteit niet meer zo grootwas. Daarin stond hij niet alleen. Studenten met hbo-propedeuse kregen in die tijd het recht om door te stromen naar de universiteit.

Terwijl hogescholen naar universiteiten probeerden toe te groeien, deden zich allerlei ontwikkelingen voor die de kloof juist verdiepte. De Tweede Fase is daar een oorzaak van. Dat systeem zorgde ervoor dat het vwo beter aansluit op de universiteit en de havo beter op het hbo. Zodoende daalde het aantal vwo’ers dat koos voor hbo. Ten tijde van de besproken fusie had liefst een kwart van de hbo’ers een vwo-achtergrond. Inmiddels geldt dat maar voor zo’n tien procent. Bezien vanuit de studentenpopulatie werd het verschil tussen hogeschool en universiteit dus groter.

Lectoren bleken niet meer dan window dressing. Niet zij zijn bepalend voor het onderwijsniveau, maar de docenten. Om op personeelskosten te bezuinigen werden academisch geschoolde hbo-docenten vervangen door goedkopere, hbo-opgeleide docenten. Zelfs tweedegraads docenten werden aangesteld, terwijl voor de bovenbouw van de havo al eerstegraads wordt gevraagd. Gaat de havist studeren aan het hbo, dan krijgt hij les van lager opgeleide docenten dan hij op de middelbare school gewend was. Terwijl hogescholen de eisen aan docenten verlaagde, zijn universiteiten die juist gaan verhogen: meer aandacht voor didactische vaardigheden, minder aanstellingen voor docenten die niet gepromoveerd zijn.

Een pabostudent die naar de universiteit overstapte, zei in Het Schoolblad: ,,Op de pabo wordt de stof voorgekauwd uit het boek. Dat snap ik ook wel: er zitten daar heel veel havisten en mbo’ers.” Vanwege dit grote niveauverschil wilde Halbe Zijlstra, toenmalig staatssecretaris, een einde maken aan de mogelijkheid om met hbo-propedeuse door te stromen naar de universiteit. Automatische toelating vindt hij slecht voor de maatschappij, voor de student zelf en voor de andere studenten.

Inmiddels hebben hogescholen besloten dat docenten een academische titel moeten halen. Dat streven is net zo lovenswaardig als onzinnig. Alsof iedereen dat kan, alsof het verschil tussen een hbo-opleiding en een universitaire studie een kwestie is van goede wil. In het Onderwijsakkoord dat minister Bussemaker deze week met schoolbestuurders en de vakbeweging heeft gesloten, wordt dit verschil onomwonden benadrukt. Daarin staat dat docenten vanaf 2017 zelfs in de bovenbouw van havo en vwo alleen met een mastergraad mogen lesgeven.

Jankarel Gevers werd geprezen als bestuurder met een duidelijke visie. Nadeel van dit soort bestuurders is dat, wanneer de omstandigheden zich anders ontwikkelen dan zij hadden voorzien, pas achteraf blijkt dat ze een instelling de verkeerde richting in hebben gestuurd. Doordat de kloof tussen universiteit en hogeschool de afgelopen tien jaar alleen maar is gegroeid, is het uitgangspunt van de fusie, het onderwijs aan beide instellingen beter op elkaar afstemmen, mislukt.

In een evaluatie erkent het huidige UvA-bestuur dat de onderwijsdoelstellingen niet zijn gerealiseerd. Alleen het samenvoegen van facilitaire diensten heeft wat voordeeltjes opgeleverd. Als dat een grond is voor fusie had de universiteit net zo goed met een ROC in zee kunnen gaan.