Muziek is praten zonder te zeggen waar het om gaat

Muziek laat je dansen, ontroert je en maakt je blij. Maar wat is de betekenis daarvan? Mischa Spel denkt na over haar eigen ervaringen.

Foto Tampa Bay Times/Zumapress

Muziekredacteur

Waaraan meet je de kwaliteit van een leven af? Aan wat je hebt bereikt? Talenten ontplooid? Landen bereisd? Bezit vergaard? Mensen bemind? Zelf bemind bent? Of aan het aantal gelukservaringen dat je meemaakte?

Met een beetje pech zijn het overwegingen die je niet meer hoeft te maken als je oud bent. Omdat je geheugen je in de steek laat of omdat je wereld zich heeft versmald tot een overzichtelijke kijkdoos, met afspraken als steentjes in een stil meer. De post-it fase. Niet vergeten: volgende week kaas bestellen voor het familiediner over twee weken!

Maar voordien zijn er meer dan genoeg verloren uren om na te denken. Waarom trekt mijn werk altijd harder aan me dan de mensen van wie ik houd? Is het dáárom dat ik altijd een beetje weemoedig word als mijn driejarige dochtertje mijn hand pakt? In een film zou je er een stukje het Eerste pianotrio van Arensky onder kunnen zetten. Een melodie die klimt en klimt – maar wel in trekkend d-mineur. Luister maar, de tijd tikt door. En als er muziek bij klinkt weet je het niet alleen, maar voel je het ook. Juist daarom zijn de simpelste liedjes vaak de beste pleisters. Toen mijn fiets vanochtend voor de derde keer in één maand gestolen bleek, kon ik er zowaar om glimlachen. Maar was dat ook gelukt als ik niet ‘Glück oder Unglück’ (moraal: pech is een relatief concept) van de Duitse liedjeszanger Gerhard Schöne in mijn hoofd had gehad?

Met een vriendin speel ik af en toe samen; zij piano (vier ballen), ik viool (1 bal). Daar is natuurlijk nooit tijd voor. En als het wel lukt, zijn we soms zo mat dat het blijft bij wijn. ‘Waarom doen we het niet vaker?’, mailde ze me pas. ‘Komt er ooit weer een tijd dat we dat soort dingen weer op enigszins regelmatige basis zouden kunnen doen? Als jouw kinderen het huis uit zijn? Als we met pensioen zijn? Als 40er realiseer ik me steeds vaker dat het leven echt nu is, en nu geleefd dient te worden.’

Ware woorden. Waarom wordt een zigeuner met zijn viool begraven? Omdat muziek, voor wie er van houdt en zeker voor wie haar zelf maakt, op een onuitlegbare manier is verweven met wie je bent. Een huis wordt een thuis als er muziek wordt gemaakt. (Zie ook een klassieke huilfilm als The Sound of Music, 1965) Het moderne gezin is vaak een optelsom van individuen die elkaar treffen aan de ongelakte eettafel. Maar als ik met mijn man en kinderen voor het slapen nog een canon zing, voel ik het verbond.

Een cd’tje branden met de soundtrack van iemands leven – zou dat niet een goede start-up zijn voor een nieuwe vorm van uitvaartzorg? In een van mijn vroegste en meest dierbare herinneringen zit ik met mijn broer bovenaan de trap – ver na bedtijd uiteraard – te luisteren hoe mijn moeder Beethovens Pathetique speelt. Het Vioolconcert van Bruch? Liever niet. Want: de crematie van oma. ‘Blueberry Hill’ van Fats Domino? Veel beter: schuifelen met Meester Peter in groep 7. Schumanns ‘Ich grolle nicht’? Vurig gehamer op de piano in ons studentenhuis. De voorbeelden zijn anekdotisch, maar ze katapulteren je wel direct naar het verleden. Nog sterker werkt dat bij muziek die je ooit zelf speelde. Al die oefenconcertjes waar je als beginnend violist je vingers op mag breken (O. Riedings Concertino opus 21, ‘in Hongaarse stijl’) – als ik ze hoor voel ik weer hoe het is om op sokken te spelen op de vloerbedekking in mijn ouderlijk huis, de warmte van het lampje op de lessenaar. En ook de ergernis over al dan niet goed getelde tussenspelen van de piano („Nee, jij moet nú beginnen!”). Geef me een viool en ik speel die stukjes zo weg, zij het dus heel lelijk. Mijn vingers hebben de weg nooit kunnen vergeten, ook al hebben ze daar geen enkel belang (meer) bij.

In zijn bestseller Musicophilia (2007) beschrijft neuroloog Oliver Sachs fascinerende voorbeelden van de impact van muziek op ons brein. Muziek spreekt een ander deel van het geheugen aan dan de reguliere herinnering. De combinatie van ritme en melodie is een procedure, zegt Sacks. Vandaar dat iemand die al niet meer helder kan denken, nog wel liedjes kan zingen. Of een instrument bespelen. Of, zoals in het boek, zich nog wel zelf kan aankleden als hij er een aankleedlied bij zingt.

Dat wetend vraag je je eens te meer af waarom er op basisscholen nog steeds niet dagelijks wordt gezongen – al gaan daarvoor wel steeds meer stemmen op. En waarom niet meer kinderen een instrument leren bespelen, hoe duur de lessen en taai de dagelijkse studietijd soms ook is. Want in die dagelijkse confrontatie met de grenzen van je kunnen, wortelt ook veel plezier. De volgende dag gaat het meestal beter. En na een paar weken gaat het soms écht. Ik herinner me nog wat de heel jonge violiste Svenja Staats, toen 12, daarover ooit zei. Studeren? Hmm, niet haar hobby. Tot ze ontdekte dat ze in muziek zonder te praten kon zeggen waar het om ging. Toen werd studeren leuk. Geen wonder ook dat er in koren en orkesten zo veel relaties ontstaan – bij sommige studentenorkesten ontmoet maar liefst 33 procent de liefde van zijn leven, las ik laatst. J.M. Coetzee dikt dat in Zomertijd aan door het personage Coetzee als slechte minnaar een erotisch hoogtepunt te laten bereiken op muziek van Schubert.

Als leven en muziek samenvallen, kan er voor je gevoel van alles gebeuren. En vaak gebeurt dat ook.