Mooie verhalen, helaas verzonnen

Antropoloog verzint machtsstrijd in bedevaartsplaatsjes.

Foto

In de 18de en 19de eeuw maakten Brabantse dorpelingen er een gewoonte van om relieken en beelden van de plaatselijke schutspatroon Sint Gerardus keer op keer in het openbaar te vernederen – dit in het kader van een machtsstrijd tussen de monniken uit het plaatselijke klooster en het nieuwe bisdom. Toen vervolgens de dorpskerk afbrandde, zagen de dorpelingen dit als de toorn van Sint Gerardus. Antropoloog Mart Bax (Vrije Universiteit) bezocht het dorpje, dat hij in publicaties Neerdonk noemde, in 1984 en 1985, en maakte gebruik van het dagboek van een overleden pater en van kloosterannalen om het machtsspel in kaart te brengen.

Althans, dat zei hij. In het vermeende dagboek van de overleden pater blijkt namelijk niets te vinden over deze kwestie, waaraan Bax in 1989 zijn inaugurele rede wijdde: De vernedering van een heilige. Religieuze machtspolitiek in een Zuid-Nederlandse dorpsgemeenschap.

Ook het veldwerk dat Bax zou hebben verricht in Medjugorje, Herzegovina, waar volgens de antropoloog vergelijkbare kerkelijke vetes werden uitgevochten, bevat allerlei onjuistheden. De parochie in Medjugorje meldde kort na het uitkomen van Bax’ boek Medjugorje: Religion, Politics, and Violence in Rural Bosnia (1995) al dat onderdelen van het boek niet klopten. Dat ging met name om een ‘kleine oorlog’ die volgens Bax in 1991-1992 in het pelgrimsoord zou hebben plaatsgevonden. Van de 3.000 inwoners zouden er bij een ‘bloedvete’ ongeveer 140 zijn vermoord, 60 van hen werden vermist en ongeveer 600 inwoners waren gevlucht. Gebouwen zouden zijn beschadigd of verwoest. Maar: lokaal was daarvan niets bekend.

Een onderzoekscommissie onder leiding van historicus Michiel Baud (Universiteit van Amsterdam), heeft het werk van Bax nu grondig onderzocht en concludeert dat de oud-hoogleraar politieke antropologie zich aan diverse vormen van wetenschappelijk wangedrag schuldig heeft gemaakt. Ook heeft hij valsheid in geschrifte gepleegd in universitaire documenten.

De commissie werd geconfronteerd met „rookgordijnen” in de vorm van „geheimzinnigheid, pseudoniemen, tegenstrijdige informatie, niet bestaande publicaties” die het lastig maakten om de waarheid te achterhalen over het werk van Bax. Een complicatie was ook dat Bax zijn archief zei te hebben weggegooid na zijn pensionering, in 2002. De commissie noemt het „zeer aannemelijk” dat Bax’ verhalen over Sint Gerardus en de afgebrande Brabantse kerk zijn verzonnen. Of dat is gebeurd door de overleden sleutelinformant op wie Bax zich beroept, of door Bax zelf, kon de commissie niet vaststellen. Maar Bax had volgens de commissie de informatie van deze informant moeten controleren, ook al omdat hij zei te hebben geweten dat de informant zaken had verdraaid. De commissie noemt Bax’ Brabantse onderzoek „misleidend, slordig en ethisch discutabel”.

Ook van het veldwerk in Herzegovina zei Bax geen materiaal te hebben bewaard. Hij beweerde nu dat zijn verhaal over een „kleine oorlog” in Medjugorje zou hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bax zei al kort na publicatie van zijn boek over Medjugorje te hebben vernomen dat hij iets verkeerd had begrepen, maar beweerde geen gelegenheid te hebben gehad om deze „vergissing” recht te zetten omdat er geen herdruk kwam. De commissie stelde echter vast dat hij andere mogelijkheden om te rectificeren niet had benut en pas in 2012 met het verhaal over de „vergissing” was gekomen. Omdat Bax het verhaal over de kleine oorlog nog drie keer in andere publicaties artikelen heeft opgenomen, nadat hij naar eigen zeggen al op de hoogte was van de fout, beoordeelt de commissie dit als „ernstig wetenschappelijk wangedrag”.

De commissie ontdekte verder dat Bax zijn wetenschappelijke prestaties enorm heeft opgeklopt. Zijn publicatielijst van 161 artikelen bevat minstens 64 titels van artikelen die helemaal niet bestaan, waarvan 45 over Medjugorje. Ter vergelijking: Diederik Stapel verzon de onderzoeksgegevens voor 55 van zijn 137 wetenschappelijke publicaties. Het verschil is dat de frauduleuze publicaties van Stapel echt bestaan: ze zijn te vinden en te lezen en ‘vervuilden’ dus de wetenschap. De verzonnen publicaties van Bax zijn slechts items op een cv die niemand direct schaden, behalve dan dat ze Bax ten onrechte kunnen hebben bevoordeeld.

De kleine honderd artikelen die Bax wel heeft geschreven, bleken veel zelfplagiaat te bevatten. Bax stuurde reeds gepubliceerde artikelen op naar andere bladen, wat hij verhulde door de titel en details te veranderen. Daarnaast verzon Bax een groot aantal wetenschappelijke activiteiten in een cv en in ‘zelfevaluaties’ die ten grondslag lagen aan zijn benoeming tot hoogleraar. Hij claimde gastdocentschappen aan prestigieuze instellingen zoals Princeton en Cornell. Ook beweerde hij betrokken te zijn bij het NIOD-Srebrenica-onderzoeksproject. De commissie noemt deze verzinsels „arbeidsrechtelijke fraude”. Bax beweerde dat hij niet betrokken was geweest bij het opstellen van zijn eigen cv of de zelfevaluaties, maar de commissie vond diverse door Bax ondertekende documenten met onjuiste opgaven.

Ook over de inhoud van Bax’ proefschrift Harp strings and confessions uit 1973, over het functioneren van het Ierse politieke systeem in een dorp op het platteland, bestaan twijfels. De commissie heeft dit niet onderzocht omdat deze studie al zo oud is, wat controle lastig maakt.

De zaak-Bax roept volgens de commissie vragen op over de effectiviteit van het peer review-systeem, omdat de hoogleraar vrijwel identieke artikelen bleek te kunnen publiceren zonder dat dit iemand opviel. De zaak bewijst volgens de commissie ook het belang van zorgvuldige opslag van onderzoeksgegevens, om onderzoek controleerbaar te maken. De commissie wijst verder op de ‘averechtse effecten’ die de toegenomen publicatiedruk kan hebben op onderzoekers en onderzoeksafdelingen. Opvallend genoeg noemt de commissie het een „tragische paradox” dat Bax wel een goed oog had voor de „prangende vragen” binnen zijn vakgebied en dat hij andere onderzoekers heeft geïnspireerd.

De Vrije Universiteit onderneemt geen arbeidsrechtelijke of andere juridische stappen tegen Bax omdat hij sinds 2002 met pensioen is. De universiteit volstaat met het verwijderen van Bax’ niet-bestaande artikelen uit de publicatiedatabase Metis en met openbaarmaking van het rapport van de commissie-Baud „waardoor zijn reputatie als wetenschapper ernstig wordt geschaad”. Het bestuur van de Faculteit Sociale Wetenschappen laat weten dat het rapport-Baud over een andere tijd gaat en dat er sinds Bax’ vertrek veel is veranderd in de organisatie, maar zegt dat het rapport wel aanzet tot „bezinning”. En Bax zelf laat via zijn woordvoerder mr. Hans Londonck Sluijk weten dat hij geen behoefte heeft om te reageren op de inhoud van het rapport.