Zo veel harten gebroken

Hans Steketee grasduint in de stapel met binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indrukken.

De tijd dat vrouwen niets op schepen (of in vliegtuigcockpits) te zoeken hadden, is gelukkig lang geleden. Maar als je Zeevrouw[1] van Fleur van der Laan leest, begrijp je toch beter waar oude gezegdes als ‘Een vrouw en een kip zijn de pest op een schip’ vandaan komen. Als haar alter ego Roos van Straaten in Australië aanmonstert als hoofdwerktuigkundige (‘eerste machinist’) op een vrachtschip, brengt ze daar al snel de gevestigde orde aan het wankelen. „Wat een eigenaardig beroep had ik toch gekozen. Altijd zwaar werk, vaak in de hitte. (...) En mannen. Zo veel mannen ontmoet, zo veel harten gebroken.”

Haar eigen hart blijft het hele boek wel opmerkelijk schokvrij. Zodat je niet alleen een beetje medelijden krijgt met de mannen en jongens die elk op hun eigen stugge, of onhandige manier voor haar vallen, maar ook een beetje met deze koele zeevrouw, zelfs (of vooral) als ze zwanger wordt van de man op wie ze naar eigen zeggen verliefd is, want het blijft onduidelijk waarom. Maar misschien heeft ze niet voor niets deze noncommunicatieve Fries gekozen. De echte passie, van auteur en hoofdpersoon, lijkt te liggen bij manometers, cilinders en zware stookolie, vooral als er aan boord dingen fout lopen. Dat zijn er, naarmate boek en de twee reizen die ze maakt vorderen, steeds meer, culminerend in een kaping door Somalische piraten. Wat het verhaal alsnog overtuigend voortstuwt.

Ook ‘waargebeurde’ verhalen hebben zo’n stuwende kracht nodig. „Om de moeite waard te zijn, moet een reis zowel in de geest als in de materiële wereld gemaakt worden”, schreef Ted Simon in Jupiter’s Travels (1979), over een reis per motorfiets rond de wereld. „Ik was in de eerste plaats schrijver en pas daarna motorrijder.”

Het is de vraag hoe die verhouding bij Daniëlle Boelens ligt, die ook schrijft en motor rijdt. Lingerie en motorleer [2], wint deze week met gemak de prijs voor het allerlelijkste omslag. Maar you shouldn’t judge a book by its cover en ik was benieuwd of haar experiment is geslaagd. Boelens hield op een reis door Bolivia een veelgelezen blog bij (ravage.waarbenjij.nu), dat ze nu tot fictie heeft versleuteld. Stof happen en banden verwisselen is uitgebreid met eh, tropische scènes (‘De tintelingen die langzaam wegebden worden genadeloos door hem teruggeroepen’), maar dat is nog niet het type innerlijke reis dat dit verhaal kan dragen. De sfeer van het blog blijft overheersen: ‘Al die huizen met hun rode dakpannetjes. De bergen op de achtergrond. Ik sta volop te genieten.’

Ook Klaas [3] is op het internet ontstaan; het zijn gebundelde ‘Klaasjes’, de absurdistische bijna-haiku’s die schrijver en dichter Nico Dijkshoorn (@dijkshoorn) de afgelopen jaren twitterde over een zekere Klaas. „Klaas, lijm en dertig stukken touw. Ademloos keek je toe.” Of: „Klaas schopte midden in de Kalverstraat Rutger Hauer onder zijn hol. ‘En nou normaal doen, hè,’ zei hij dan. Uniek voor die tijd.” In de lach-of-ik-schiet-humor waarmee Klaas zijn publiek gijzelt herken je Dijkshoorns vader Klaas, die hij meedogenloos heeft geportretteerd in Nooit ziek geweest. Maar in twitter-Klaas met zijn bizarre bravoure zit ook een kleiner Klaasje gevangen, laat hij trefzeker en ontroerend zien: „Klaas wilde dood. Wij lachen. Nooit meer iets over gehoord.”

Over de dichteres Anna Bijns (1493-1573) schreef Herman Pleij al een prachtige biografie (Anna Bijns, van Antwerpen). Daar heeft hij nu een bloemlezing van haar poëzie aan toegevoegd, Meer zuurs dan zoets[4] . In haar ‘refreinen en rondelen’ keert ze zich fel tegen Luther, maar bij Pleij is ze allereerst een hartstochtelijke minnares met dubbele gevoelens voor de man die haar afwees; ‘Wat liefs te dervene es groote pijne’. Pleij maakt zelfs aannemelijk wie het is: Anna’s biechtvader Bonaventura wiens naam ze liefst zestien keer in haar poëzie heeft vervlochten.

‘We gaan je netjes aankleden, je make-up geven en dan mag je naar papa Moammar toe’, zeiden haar ouders. Soraya was veertien toen ze de Libische leider bloemen mocht aanbieden. Kort daarna wordt ze opgehaald, waarna er geen plek meer is voor dubbele gevoelens. Zeven jaar lang wordt ze misbruikt, tot ze in de chaos van 2011 wist te ontsnappen. Met Soraya’s verhaal, vertaald als Khaddafi’s slavin [5], trok Annick Cojean, journalist bij Le Monde, het gordijn weg voor diens gruwelkamers. In het openbaar zei hij ‘de Libische vrouw te [willen] bevrijden’, in praktijk beroofde hij honderden meisjes van hun jeugd - en soms van hun leven.