Volgende week: 5de IPCC rapport Hoe maak je politiek van onderzoek?

Volgende week, waarschijnlijk op vrijdagochtend, verschijnt het meest omstreden document van het vijfde IPCC-rapport, de zogeheten ‘samenvatting voor beleidmakers’. De hele week onderhandelen klimaatwetenschappers met regeringsvertegenwoordigers in Stockholm over de tekst, die bedoeld is als richtlijn voor beleidmakers en onderhandelaars.

Dat roept vragen op. Hoe kun je onderhandelen over wetenschappelijke feiten? Waarom zijn die gesprekken achter gesloten deuren? Wie garandeert dat consensus over heikele onderwerpen niet ten koste gaat van de waarheid?

Die werkwijze heeft het IPCC kwetsbaar gemaakt. De Frankfurter Allgemeine Zeitung noemde de klimaatwetenschap vorige week in een keihard commentaar ‘een empirische grootmacht’ die zijn maatschappelijke status op het spel zet door ‘in het klimaatpanel regelmatig met de politiek het bed in te duiken en zijn slotconclusies door ambtenaren te laten goedkeuren’.

Maar kan het anders? Het IPCC is nu eenmaal geen onderzoeksinstituut, maar verzamelt slechts de nieuwste kennis op het gebied van klimaatverandering. Hoe maak je van die vergaarbak van onderzoeken, gebundeld in drie rapporten van elk zo’n duizend pagina’s, zinvolle informatie voor politici die moeten beslissen of, en zo ja hoeveel geld ze besteden om verdere opwarming van de aarde te voorkomen? Het IPCC moet wetenschap, die bloeit bij de gratie van twijfel en scepsis, vertalen naar de politiek, die heel slecht tegen onzekerheden kan.

Het gerucht gaat dat de zekerheid over de menselijke invloed op klimaatverandering volgens het IPCC inmiddels ‘extremely likely’ (95 procent) is geworden. Het zal niet veel uitmaken. De onderhandelingen over een internationaal klimaatverdrag zullen ook na verschijning van het vijfde rapport nog even muurvast zitten.