Requiem

Hollandser dan Gerrie Mühren worden ze niet meer geboren. Deze baltovenaar had de perfecte uitstraling voor een commercial van groentefabrikant Hak. Meer dan Ronald Koeman. In zijn gezicht bloeide altijd de vreugde en warmte van een moestuin.

Je wou er zo in bijten.

Gerrie zag er niet uit als een atleet. Bij hem paste een blokfluit, geen hobo. Een wintertrui, geen polo. Ik stelde mij altijd voor dat hij uren in het praathuisje op de dijk zat en daar dan eindeloze gesprekken over het weer met zachte ogen en glimlach doorstond.

Te beleefd om niet als laatste op te stappen.

Oorbellen, kettinkjes haarbanden, tattoos, bakkebaarden, het was allemaal niet besteed aan de Volendammer. Mocassins konden hem ook niet verleiden. Een trainingspak met drie strepen was al te veel franje.

In Gerrie Mühren lag het polderlandschap van knotwilgen, koolschuren, herfst en schrale wind versleuteld. Maar in zijn voeten was het zomer. Alsof ze van een ander lichaam waren.

Misschien van een ballerina.

Weinig voetballers waren virtuozer aan de bal dan Gerrie. In zijn traptechniek deelde hij zelfs de predestinatie van Lionel Messi. Zoals Van Hanegem het zei: „Gerrie kon de veters uit je schoenen trappen.”

Iedereen heeft het dezer dagen over het fenomenale hooghoudkunstje van de Ajacied in Bernabéu. In volle wedstrijd hield hij de bal vijfmaal hoog waardoor de spelers van Real Madrid verstijfden in bewondering. Ze vergaapten zich aan het wonderlijke intermezzo in het kolkende stadion.

Goddelijke kunst, duivels lef.

Terwijl de begenadigde middenvelder niet echt een lefgozer was. Niet zoals Swart en Suurbier, niet zoals Piet Keizer. Timide natuur. Maar zijn passie was onbegrensd. Ook daarom is het zo ten hemel schreiend dat de stilist Mühren als speler van Betis in 1977 in Spanje tot voetballer van het jaar werd gekroond en niet in Nederland. Gemiste kans, al liggen ze daar bij het hooghartige Ajax niet wakker van.

In de eerste glorieperiode van Ajax waren alle ogen gericht op Johan Cruijff. Hij monopoliseerde het succes. Een semi-revolutionaire woelmuis als Keizer had het daar wat moeilijk mee. Gebrek aan respect voor het hele team maakte hem humeurig. Piet was een beetje de Fré Meis van Ajax.

Linkspoot natuurlijk.

Mühren was een stille ploegspeler. Bij Ajax en bij het Nederlands elftal. Voetbal was voor hem ook arbeidsethos sui generis, misschien wel met een religieuze kern. In Volendam weten ze nog wat drinken, zingen en bidden is.

Gerrie was minder gulzig met het leven. Asceet zowaar. Hij dronk nauwelijks en rookte niet. Hij onderhield zijn fysieke conditie met hardlopen. Toch is hij deze week gestorven op 67-jarige leeftijd. Ben benieuwd hoeveel internationals uit zijn tijd bij Oranje dinsdag op de begrafenis zullen zijn.

Nederlanders dwepen met vedetten die de status van halfgod hebben bereikt. De categorie Cruijff, Van Hanegem, Van Basten, Rijkaard, Kluivert, Van Nistelrooy… Alsof zij alleen het succes dragen. Geen mens vraagt nog naar Adri van Tiggelen die er nochtans ook bij was toen Oranje in 1988 Europees kampioen werd. Zo ging het vroeger met Gerrie Mühren ook: zijn meesterlijke kunstjes werden niet gecelebreerd als persoonlijke bravoure. De grote ego’s van Oranje stonden dat in de weg.

Zelf verzoende hij zich met de status van dienende speler. Dat hij best briljant was, liet hij anderen zeggen.

Of niet.

Ik buig diep voor de nagedachtenis van de dartele, frêle vlinder met de geniale pass. Stiekem hoop ik dat Johan Cruijff mee de kist zal dragen.