Mijn kinderen hebben niks of niemand

Trudy Coenen (58) geeft sinds 1992 les aan het Montessori College Oost, een zwart vmbo in Amsterdam. In haar boek Spijbelen doe je maar thuis, vertelt ze over lesgeven aan ‘het afvoerputje van het onderwijs’.

Spijbelen

„Als puber had ik een hekel aan school. Ik verveelde mij rot, als havo-leerling in Weert. Alleen voor geschiedenis en Frans kwam ik bij wijze van spreken mijn bed uit. Een docent met een goed verhaal houdt de aandacht vast. Voor zo iemand wil je goed presteren. Tijdens de andere lessen taaide ik soms af naar de sportwinkel van een vriendin. Ik kende alle spijbelsmoezen. Als mijn leerlingen nu zeggen dat ze zich rot vervelen op school, begrijp ik dat maar al te goed. Het is de taak van docenten lesstof aantrekkelijk te presenteren. Ze moeten contact maken met ouders en leerlingen. Ook als er (nog) geen problemen zijn. Ik wil dat kinderen het gevoel hebben dat ik er voor hen ben. Juf is er niet om straf uit te delen. Ze wordt boos omdat zij zich zorgen maakt, niet omdat ze een hekel heeft aan een kind.”

Afvoerputje

„Het vmbo wordt wel het afvoerputje van het onderwijs genoemd. Een vreselijke term. In het schooljaar 2011-2012 telde het voortgezet onderwijs bijna een miljoen leerlingen. De helft gaat naar het vmbo. Betekent dat dat de helft van de leerlingen bagger is? Nee, onzin! Ik zeg niet dat vmbo’ers heilige boontjes zijn. Bij grote leerlingenaantallen is de kans op incidenten ook groter. Maar mijn kinderen hebben meestal geen netwerk achter zich. Hun ouders regelen geen bijlessen. Ze hebben niks of niemand. Dus kom niet aanzetten met je afvoerputje.”

Pikorde

„Sommige leraren behandelen hun leerlingen als gelijken. Ik niet. Kinderen, zeker pubers, vinden het fijn als je grenzen stelt. Maar die pikorde moet ieder schooljaar opnieuw worden bepaald. Leerlingen proberen je uit. Als ik vraag of ze voor dan en dan een mailtje met gegevens van hun ouders willen sturen – en ze doen het niet – bel ik nog diezelfde avond hun vaders om verhaal te halen. En kijk, dan strómen de mailtjes binnen. Ik zeg niet dat mijn benadering de beste is. Maar als je je poot niet stijf houdt, lopen ze over je heen. Zo herinner ik mij een jongen die vlak voordat de bel ging opstond en meldde dat hij naar de wc moest. ‘Nee’, zei ik. ‘Ná de les’. Hij liep naar de deur van het lokaal en het werd doodstil in de klas. Wie gaat er winnen, zag ik ze denken. Mijn hart bonsde in mijn keel. ‘Als je die deur doorgaat, kom je er nóóit meer in’, zei ik. Bluf, natuurlijk, want zo’n dreigement kan ik nooit waarmaken. De jongen ging na enige aarzeling weer op zijn plaats zitten. Later dacht ik: wat had ik gedaan als hij de klas was uit gelopen?”

Sukkel

„Ik zie lesgeven als een spel. De SVDD is daarvan een onderdeel. Aan het begin van elke les controleer ik het huiswerk. Wie zonder geldige reden een leeg schrift overhandigt, is de Sukkel Van De Dag. Hij of zij moet het huiswerk drie keer overschrijven. Leerlingen ervaren het als een competitie: wie is vandaag de klos? Het is ook een speelse manier om de pikorde te bepalen.”

Hockeymeisjes

In 2006 werd een ex-collega geïnterviewd door NRC Handelsblad. Hij had een aantal jaar bij ons op school gewerkt, maar gaf alweer een tijdje les op een school in Haarlem. ‘Een feest’, zei hij, ‘al die kinderen van wie de ouders hoger opgeleid zijn dan ik’. Bij ónze school werden collega’s voor vuile kankerhoer uitgescholden, zei hij in het interview. ‘Geef mij dan maar hockeymeisjes.’ Toen ik het artikel las werd ik woedend. Ik heb meteen een ingezonden brief gestuurd: ‘In Haarlem zal hij die populaire leraar zijn die in een band zingt en quatre-mains met ze speelt. Maar voor streetdance en rap moet je bij ons zijn.’ Mijn ex-collega is een aardige man, maar hij geeft les op een manier die mij niet aanspreekt. Door te generaliseren over gevoelige onderwerpen – alle Marokkanen stelen, dat soort dingen – maak je geen contact met kinderen. Daar krijg je alleen meer generalisaties voor terug. Toen mijn brief geplaatst werd gaf dat veel voldoening – ook bij de leerlingen. Ze leerden dat je iemand niet op z’n bek hoeft te slaan als je je beledigd voelt.”

Lodewijk Asscher

„Mijn eerste indruk van vicepremier Lodewijk Asscher was niet best. Toen hij nog PvdA-wethouder van onderwijs in Amsterdam was, nodigden wij hem uit de diploma-uitreiking bij te wonen. ‘Kinderen eerst’, was het motto van zijn partij. Asscher leek de meest aangewezen persoon om de certificaten uit te reiken. Maar de dag voor de uitreiking belde zijn secretaresse af: er was iets tussen gekomen. Ik was des duivels. ‘Als Asscher niet komt moeten al die affiches met ‘kinderen eerst’ worden weggehaald’, zei ik. ‘Door dit soort acties wordt het geloof in de politiek nóg kleiner.’ De volgende dag zat Asscher netjes in de zaal. Het is belangrijk dat politici kinderen écht belangrijk vinden, niet alleen op verkiezingsposters.”

Pak slaag

„Soms krijgen mijn leerlingen de zorg voor jongere broers en zussen. Ze maken het huis schoon, koken of hebben een baan. Het Assepoestercomplex, noemen we dat op school. Zie dan maar eens tijd voor huiswerk over te houden! De school kan daar niet altijd wat aan doen, al proberen we de kinderen op allerlei manieren te helpen. Het is belangrijk dat een kind weet dat het altijd bij jou terecht kan. Dan is de situatie misschien niet ideaal, maar kunnen ze in ieder geval hun verhaal kwijt. Bij ons is de tere kinderziel zo teer niet hoor. Je merkt het ook aan de fysieke omgangsvormen van ouders met kinderen. Een pak rammel? Onze kinderen worden er niet warm of koud van.”

Beatrix

„Ik heb Beatrix een brief gestuurd toen zij nog koningin was. ‘Ik zou zo graag eens met u willen praten’, schreef ik. ‘Ik wil u vertellen over mijn leerlingen, hoe bijzonder ze zijn’. Beatrix piept nooit. Ze blijft formeel en correct. Ik herken mezelf in haar. Zij werkt hard en is een doorzetter. Verder gaat de vergelijking mank. Helaas kon Beatrix geen gaatje vinden in haar drukke agenda. Misschien maak ik meer kans nu ze prinses is.”

Auschwitz

„In 2005 deed onze school mee aan een project om jongeren meer te leren over de Tweede Wereldoorlog. Een joodse overlevende vertelde haar verhaal, we keken naar Schindler’s List en brachten een bezoek aan Auschwitz. Op weg naar het vernietigingskamp werden niet-blanke leerlingen bij de Pools-Duitse getreiterd. Vijf uur lang werden wij vastgehouden, in een snikhete bus! Ik heb de Poolse autoriteiten teruggepakt met een tijdrovende klachtenprocedure. Maar het ergste is: mijn leerlingen waren totaal niet onder de indruk. Ze begrepen niet waar ik mij zo druk om maakte. Dat gedrag duidt op een gebrek aan eigenwaarde. Misschien dat ik daarom zo vaak zeg dat ik trots ben op mijn kinderen.”

Wereldreis

„Wie een boek schrijft maakt zich kwetsbaar. Je geeft jezelf bloot en weet niet hoe mensen daar op reageren. Het ligt niet in mijn aard mij kwetsbaar op te stellen. Daarom heb ik gemengde gevoelens over de publicatie van Spijbelen doe je maar thuis. Het liefst zou ik een wereldreis maken en terugkomen als het mediacircus voorbij is getrokken. Het is niets voor mij om mijn ziel en zaligheid op straat te leggen. Nederlanders zijn snel geërgerd als je op de voorgrond treedt. Zelfs mijn eigen uitgever vroeg zich af of het boek niet te veel over Trudy Coenen ging! Voor jaloezie moet je werken, zeg ik wel eens. Medelijden krijg je gratis.”

Trudy Coenen en Louise Koopman: Spijbelen doe je maar thuis. Het verhaal van een docent op het vmbo Artemis, 224 blz. € 17,95.