Massaproductie is niet alleen maar slecht

Fotograaf Henk Wildschut bezocht varkenshouders, kippenboerderijen, glastuinbouw, laboratoria en kwekerijen. „Ik laat zien dat het een klinische hightech wereld is die draait om efficiëntie en kwantiteit.”

Honderden, nee duizenden kippen in een megastal. En één man zittend tussen de bruine beestenmassa. Dat zal de boer wel zijn. Kijkt hij nu terneergeslagen? Overvallen door de benarde situatie waarin hij zijn broedvee heeft gemanoeuvreerd? Want dit is toch niet normaal. Van deze kippen wil je toch geen eieren eten?

Oh, het is een scharrelboerderij? En de snavels van de kippen zitten er nog aan – wat zeker niet gebruikelijk is. Ze zien er eerlijk gezegd ook best goed uit, de kippen. Blij en levenslustig.

Het werk van documentairefotograaf Henk Wildschut vertelt altijd meer dan je in eerste instantie ziet. Zijn beelden spelen met onze vooroordelen. Voor zijn nieuwste fotoproject Document Nederland: Ons dagelijks brood, in opdracht van het Rijksmuseum en NRC Handelsblad, dook Wildschut twee jaar lang in de wereld van de productie van eieren, groenten, melk, vlees en vis. Vanaf 21 september is de tentoonstelling te zien in het Rijksmuseum, dezelfde dag wordt ook het begeleidende boek Voedsel gepresenteerd.

Toen Wildschut met dit project begon, was hij verrast door de omvang van de voedselindustrie: Nederland is een van de grootste voedselexporteurs van de wereld. Hij bezocht onder andere grootschalige en biologische varkenshouders en kippenboerderijen, een viskwekerij, een zaadveredelingsbedrijf, een zuivelcertificeringsbedrijf, de glastuinbouw en verschillende laboratoria.

Wat je dan te zien krijgt is bijvoorbeeld een foto van een klinische ruimte met een kippenontbottingsmachine van een producent uit Zaandam die 25 procent van de wereldmarkt in handen heeft. Hun machines verwerken jaarlijks wereldwijd 8,7 miljard kippen. En een foto van een koe in de stal. Een koe die best naar buiten kan, maar er nu even voor kiest om binnen te liggen. Of een ontsnavelmachine waar alle kippen, dus ook de biologische, tevens hun vaccinaties krijgen.

Het is te makkelijk om Wildschuts werk als een aanklacht te zien tegen de massaproductie, al is het ook geen pleidooi vóór. Wildschut zet je middenin de discussie, als fotograaf wil hij vooral ‘binnenkomen’ bij de kijker. Wildschut: „Voedsel staat heel dicht bij ons. We hebben er dagelijks mee te maken. In de reclame proberen ze onze verhouding tot voedsel persoonlijk te maken. Je ziet één boer, één sappige, rijpe sinaasappel of één blije koe in de wei. Maar dat is een geïdealiseerde wereld. Ik laat zien wat het wel is: een klinische hightech wereld die draait om efficiëntie, om kwantiteit.”

Bij aanvang van het project stond hij er nog minder genuanceerd in. Hij dacht eens fijn de kans te hebben de slechte kanten van massaproductie te tonen. Hij las antiglobalisten als Raj Patel (Buy This!) en Michael Pollan (In Defense of Food). Hij werd er somber van. Maar in zijn zoektocht kwam hij ook andere geluiden tegen. Hij vond boeken die ook de voordelen van de voedselindustrie benoemden. Ontdekte onder meer Nieuwe Spijswetten van Louise Fresco. Een eyeopener: „Zij laat zien hoe complex het allemaal is en ze nuanceert het idee dat de voedselindustrie alleen maar slecht zou zijn. Dat gevoel voor realisme vond ik prettig. Ik heb geleerd dat innovatie ook goed en nodig kan zijn.”

Rechte komkommers

Het gaat allemaal over beeldvorming, vertelt Wildschut. „We willen een rechte komkommer. We willen altijd verse groenten binnen handbereik die er eenduidig uitzien, waar vitamines inzitten en waar je niet ziek van wordt. En we willen er weinig voor betalen. O ja, én we willen geloven dat de boer de komkommer ’s ochtends met zijn eigen handen vers heeft geplukt en het liefst ook nog met paard en wagen naar de supermarkt brengt. Maar de werkelijkheid, de achterkant van het verhaal, die willen we niet kennen. Wij zijn als consument zo vervreemd van de realiteit dat we die niet onder ogen kunnen zien.”

Boeren leven elke dag met het verantwoordelijkheidsbesef dat ze ons voedsel produceren, zegt Wildschut. Natuurlijk draait het ook om geld, maar boeren zijn zich bewust van de verantwoordelijkheid die ze hebben. Dat legt druk op de producent. Hij mag nooit falen, anders wordt zijn product afgekeurd. „Het productieproces wordt daardoor heel klinisch, systematisch. Maar is dat erg? En waarom voelt de consument hier eigenlijk geen verantwoordelijkheid over? Een partij als Stichting Wakker Dier legt de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij de winkels, de Jumbo of de Albert Heijn. Ze zouden ook de consument kunnen aanspreken, maar dat doen ze niet. Consumenten kopen het omdat de supermarkt het aanbiedt, zo redeneert Wakker Dier.”

Wij zouden best bewuster kunnen eten, vindt Wildschut. Neem de plofkip, ofwel het vleeskuiken. De voedingsindustrie maakt een verschil tussen ‘burger’ en ‘consument’. De burger wil geen plofkip, zegt hij zelf. Maar als die burger als consument eenmaal voor de schappen staat, koopt slechts 5 procent géén plofkip.

Realisme, daar gaat het Wildschut om. „Ik wil dat mensen weten waaróm ze een plofkip kopen. Als je zo’n kip koopt, weet dan dat er betere alternatieven bestaan, die duurder zijn. Maar besef ook dat het nou ook weer niet zo’n beroerde keuze is. Massaproductie is niet alleen maar slecht. We produceren veel efficiënter dan vroeger, we gebruiken minder grondstoffen, minder energie.”

Wildschut geeft eerlijk toe dat hij menig verjaardagsfeestje heeft vergald met discussies over voedsel. Er is bijna geen onderwerp dat meer onenigheid oplevert. „We consumeren zo gedachteloos. Je komt thuis van je werk, haalt snel nog even boodschappen, je denkt niet na. Maar het gaat wel over je gezondheid. En als je dan gaat nadenken hoe het geproduceerd wordt ontstaat er kortsluiting, omdat je er controle over wilt hebben en dat kan niet. Of je wilt er in ieder geval op kunnen vertrouwen dat het in orde is, en dat is ook lastig.”

Wildschut constateert een spagaat die de producenten ervaren tussen de strenge eisen van de industrie aan de ene kant en die van de consument aan de andere kant. Hij verwijst naar een uitzending van Zembla laatst waarbij geconstateerd werd dat er in sommige gevallen mest op vlees zit. Het is op zich niet goed te praten natuurlijk, zegt hij, maar je ziet dat zo’n discussie zich altijd op dezelfde manier ontwikkelt. Dat gaat dan als volgt: Deskundigen roepen dat het ‘ver-schrik-ke-lijk’ is, milieuorganisaties zeggen dat het slechts het topje van de ijsberg is, de producent duikt weg en belooft strengere regels, de consument is ontzet en doet de volgende dag weer gewoon (goedkope) boodschappen.

Eigen tuin

„Ik probeer al drie jaar tomaten in mijn tuin te kweken en pas dit jaar is het me gelukt. En dan héb ik eindelijk rijpgekuste tomaten en dan smaken ze nergens naar.”

Wildschut bezocht een gigantische tomatenkas van 40 hectare in Noord-Holland en zag hoe het anders kan. Zij kweken daar ook ’s winters en kunnen concurreren met Spanje vanwege de efficiëntie van het productieproces. Hij maakte er een foto van een hel verlichte kas in het sneeuwlandschap. De kas wordt verwarmd door de restwarmte van een nabijgelegen energiecentrale, daarnaast is er een gesloten circuit gemaakt zodat er nauwelijks nog insecticiden nodig zijn. Het is bijna biologisch. Bijna, want het gewas wordt op glaswol geteeld en dan mag het die naam niet hebben. „Er wordt daar zo’n enorme hoeveelheid tomaten geteeld, tomaten die er goed uitzien en lekker smaken. Het zijn wetenschappers die daar werken. Het is een vak. En ik maar hannessen met biologische koeienpoep.”

Daktuinen, ook zo’n ding, vindt Wildschut. „Het is leuk als hobby, maar daar ga je de wereld niet mee redden. Toen ik geboren werd, woonden er 3,5 miljard mensen op de wereld, tegenwoordig zijn dat er ruim 7 miljard. Er moet nu veel meer voedsel geproduceerd worden. Als we alles biologisch zouden willen hebben, dan betekent dat uitsluiting. Dan kan niet iedereen meer vlees eten omdat het dan te duur wordt. Je kunt niet tegen een hele bevolkingsgroep zeggen dat ze iets niet mogen eten. Eten moet geen luxeprobleem zijn. Als de Partij voor de Dieren haar zin krijgt en we alleen nog biologisch voedsel produceren, dan zal de productie zich verplaatsen naar het bijvoorbeeld goedkopere Polen. Met als gevolg dat we geen controle meer hebben over het productieproces. We moeten ons afvragen of we dat willen.”

Wildschut geeft geen antwoorden. Hij confronteert ons slechts met de realiteit van onze voedselproductie. Als we aan tomatensoep denken, zien we tomaten voor ons. Als we aan tomatensoep uit een pak denken, dan denken we graag aan een oude Italiaanse mama die met liefde voor ons de soep bereid. Wildschut laat ons echt zien hoe de soep wordt gemaakt. Volledig steriel. Niks romantisch aan. Maar is dat erg?