Kom niet aan het vetorecht Eerste Kamer

De Eerste Kamer heeft al vaak belangrijke wetsvoorstellen verworpen en kan dat nu ook. Geen zelfcastratie, vinden senatoren Thom de Graaf en Hans Engels.

De Eerste Kamer haalt geen zwaarwegend wetsvoorstel van kabinet en Tweede Kamer onderuit. Daarvoor is ze niet voldoende belangrijk. Dat is dan ook in geen honderd jaar gebeurd. Toch moet het staatsrecht worden aangepast, betogen Wim Voermans en Erik Jurgens in de NRC (9 sept.), door de senaat geen veto- maar terugzendrecht over (begrotings) wetgeving toe te kennen.

Het terugzendrecht is al verscheidene malen in verscheidene varianten voorgesteld. Het voorstel duikt vooral op als de Eerste Kamer voor het zittende kabinet lastig lijkt te worden. Zijn er comfortabele meerderheden en meegaande coalitiefracties in de senaat, dan hoor je niemand er over. Eind jaren tachtig voer de senaatsfractie van het CDA onder leiding van de onverzettelijke Zeeuw Kaland een eigenzinnige koers jegens het kabinet van partijgenoot Lubbers. Net als nu her en der wordt gesuggereerd, speculeerde een geïrriteerde Lubbers openlijk op de ontbinding van de Eerste Kamer. Kamervoorzitter Steenkamp omschreef deze dreiging later als ‘moord op klaarlichte dag’.

Commotie over de politieke rol van de Eerste Kamer is dus niet bijzonder of uniek. Herhaaldelijk hebben kabinetten met ontslag gedreigd. In 1989 bijvoorbeeld, dreigde vicepremier Kok in de kwestie rond de AAW (Algemene Arbeidsongeschiktheidswet); tien jaar later deed Kok, inmiddels premier, het opnieuw, weliswaar enigszins verhuld, in de Nacht van Wiegel. Die laatste keer mocht het overigens niet baten, want met de doorslaggevende stem van het VVD-erelid onthield de senaat haar instemming aan de grondwettelijke invoering van het correctief referendum. De volgende dag bood Paars II zijn ontslag aan.

De stelling van Voermans en Jurgens dat de Eerste Kamer in geen honderd jaar politiek wezenlijke wetsvoorstellen heeft afgestemd, is dus onjuist. De laatste keer dat er bijna een kabinetscrisis uitbrak na een verwerping door de senaat (het voorstel uit 2005 om de burgemeestersbenoeming uit de Grondwet te halen), maakte Jurgens als senator zelf mee. Sterker nog: hij was een van de veroorzakers door met zijn fractie tegen te stemmen. Het leidde uiteindelijk tot het opstappen van een minister (Thom de Graaf red.), wat in de vorige eeuw ook al een paar keer was voorgekomen.

De politieke praktijk geeft dus geen reden voor de gedachte dat de Eerste Kamer slechts een politieke ja-knikker is die alleen kanttekeningen bij wetstechniek en uitvoerbaarheid mag maken. Het staatsrecht geeft daar evenmin aanleiding toe. Diverse keren heeft de regering de volle bevoegdheid van de senaat om in politieke zin te oordelen, erkend. Er bestaat geen geschreven of ongeschreven regel die de Eerste Kamer verplicht tot terughoudendheid. Dat geldt zowel voor de toepassing van het vetorecht als voor het activeren van de ministeriële verantwoordelijkheid. „De Eerste Kamer heeft politieke tanden en moet die ook behouden. Hoe zij die tanden gebruikt, is in de eerste plaats aan de Kamer zelf ter beoordeling”, zei minister Wiegel ten tijde van de algehele grondwetsherziening begin jaren tachtig.

Zijn politieke nazaat Halbe Zijlstra zou die wijsheid ter harte kunnen nemen. De Eerste Kamer komt een volwaardige politieke betekenis toe, al is die betekenis vanzelfsprekend subsidiair. Hoewel de naam anders doet vermoeden, is de Eerste Kamer eigenlijk de Laatste Kamer: indirect gekozen, met beperkte rechten en helemaal achteraan in het wetgevingsproces. Dat vraagt enige bescheidenheid, maar deze zelfgekozen terughoudendheid hoeft niet te leiden tot politieke zelfcastratie. Senatoren zijn deeltijdpolitici en acteren niet op het hoofdtoneel, maar zij hebben behalve over de wetstechnische kwaliteit ook een oordeel te geven over de maatschappelijke wenselijkheid van wetten. Zij zijn niet voor niets op politieke lijsten gekozen.

Het pleidooi van Voermans en Jurgens om de Eerste Kamer het doorslaggevende vetorecht in de toekomst te onthouden, bevestigt dat zij ook wel beseffen dat dit wapen nu nog met recht en rede kan worden gehanteerd, ook in wezenlijke zaken. Het terugzendrecht is niettemin een serieus debat waard, graag zelfs.

Maar niet als de inzet is om de Eerste Kamer in de huidige politieke omstandigheden te ringeloren. Dat is al te opportunistisch.

Wie van een al te lastige senaat af wil, moet overwegen de Eerste Kamer op te heffen en de rechtmatigheidstoetsing aan de rechter laten. Maar dat vraagt twee grondwetsaanpassingen waarover de Eerste Kamer uiteindelijk met tweederde meerderheid zal moeten besluiten.