Klinische hightech

Henk Wildschut fotografeerde voor Document Nederland de productie van vlees, vis, eieren, melk en groenten, en zag een hightechwereld. „Wij zijn als consument vervreemd van de realiteit.”

2.400 M². Torsius Ei, Putten, maart 2012 Torsius heeft drie stallen met in totaal 120.000 legkippen. Naast de reguliere scharrelkippen heeft het bedrijf ook nog 6.000 biologische legkippen. Er is voor deze verdeling gekozen om rendabel te kunnen produceren. Bij Torsius worden de kippen niet ontsnaveld. Omdat de kippen minder gestresst zijn, pikken ze elkaar minder. En door de stallen minimaal te verlichten met speciaal hoogfrequent tl-licht blijven de kippen rustig. Ook hebben de kippen voldoende afleiding en ruimte. Torsius produceert zo’n 100.000 eieren per dag en behoort hiermee tot de grotere legkippenbedrijven.

Honderden, nee duizenden kippen in een megastal. Eén man zit tussen de bruine beestenmassa. Dat zal de boer wel zijn. Kijkt hij nu terneergeslagen? Overvallen door de benarde situatie waarin hij zijn broedvee heeft gemanoeuvreerd? Want dit is toch niet normaal. Van deze kippen wil je toch geen eieren eten?

Oh, het is een scharrelboerderij? En de snavels van de kippen zitten er nog aan – wat zeker niet gebruikelijk is. Ze zien er eerlijk gezegd ook best goed uit, de kippen. Blij en levenslustig.

Het werk van documentairefotograaf Henk Wildschut vertelt altijd meer dan je in eerste instantie ziet. Zijn beelden spelen met onze vooroordelen. In zijn nieuwste fotoproject Document Nederland: Ons Dagelijks Brood, in opdracht van het Rijksmuseum en NRC Handelsblad, dook Wildschut twee jaar lang in de wereld van de productie van eieren, groenten, melk, vlees en vis. Vanaf deze zaterdag is de tentoonstelling te zien in het Rijksmuseum, dezelfde dag wordt ook het begeleidende boek Voedsel gepresenteerd.

Document Nederland geeft een fotograaf een jaar de tijd zich te verdiepen in een onderdeel van de Nederlandse samenleving. Decennia na de eerste opdracht, in 1975, is hieruit een collectie ontstaan die het land in tientallen facetten heeft belicht. Toen Wildschut met dit project begon, was hij verrast door de omvang van de voedselindustrie: Nederland is na de VS de grootste exporteur van agrarische producten ter wereld. Hij bezocht grootschalige en biologische varkenshouders en kippenboerderijen, een viskwekerij, een zaadveredelingsbedrijf, een zuivelcertificeringsbedrijf, de glastuinbouw en diverse laboratoria.

Wat je dan te zien krijgt is bijvoorbeeld een foto van een klinische ruimte met een kippenontbottingsmachine van een producent uit Zaandam die 25 procent van de wereldmarkt in handen heeft. Hun machines verwerken jaarlijks wereldwijd 8,7 miljard kippen. En een foto van een koe in de stal. Een koe die best naar buiten kan maar er nu even voor kiest om binnen te liggen. Of een ontsnavelmachine waar alle kippen, dus ook de biologische, tevens hun vaccinaties krijgen.

Het is te makkelijk om Wildschuts werk als een aanklacht te zien tegen de massaproductie, al is het ook geen pleidooi vóór. Hij zet je middenin de discussie, als fotograaf wil hij vooral ‘binnenkomen’ bij de kijker. Wildschut: „Voedsel staat heel dicht bij ons. Daar hebben we dagelijks mee te maken. In de reclame proberen ze onze verhouding tot voedsel persoonlijk te maken. Je ziet één boer, één sappig rijpe sinaasappel of één blije koe in de wei. Maar dat is een geïdealiseerde wereld. Ik laat zien wat het wel is: een klinische hightechwereld die draait om efficiëntie, om kwantiteit.”

Rechte komkommers

Het gaat allemaal over beeldvorming, vertelt Wildschut. „We willen een rechte komkommer. We willen altijd verse groenten binnen handbereik die er eenduidig uitzien, waar vitamines in zitten en waar je niet ziek van wordt. En we willen er weinig voor betalen. O ja, én we willen geloven dat de boer de komkommer ’s ochtends met zijn eigen handen vers heeft geplukt. Maar de werkelijkheid, de achterkant van het verhaal, die willen we niet zien. Wij zijn als consument vervreemd van de realiteit.”

Wij zouden best bewuster kunnen eten, vindt Wildschut. Neem de plofkip, die de branche zelf liever vleeskuiken noemt. De voedingsindustrie maakt een verschil tussen ‘burger’ en ‘consument’. De burger wil geen plofkip, zegt hij zelf. Maar als die burger als consument eenmaal voor de schappen staat, koopt slechts 5 procent géén plofkip. „Ik wil dat mensen weten waaróm ze een plofkip kopen. Als je zo’n kip koopt, weet dan dat er betere alternatieven bestaan, die duurder zijn. Maar besef ook dat het nou ook weer niet zo’n beroerde keuze is. Massaproductie is niet alleen maar slecht. We produceren veel efficiënter dan vroeger, we gebruiken minder grondstoffen, minder energie.”

Wildschut geeft eerlijk toe dat hij menig verjaardagsfeest heeft vergald met discussies over eten. Er is bijna geen onderwerp dat meer onenigheid oplevert. „We consumeren zo gedachteloos. Maar het gaat wel over je gezondheid. En als je dan gaat nadenken hoe het geproduceerd wordt ontstaat er kortsluiting, omdat je er controle over wilt hebben en dat kan niet. Of je wilt er in ieder geval op kunnen vertrouwen dat het in orde is, en dat is ook lastig.”

„Waarom zien alle varkens er zo’n beetje hetzelfde uit? Ze worden zo gekweekt dat ze dezelfde omvang hebben, hetzelfde vetpercentage. Dat is omdat de schakel erna – de slachterijen met hun slachtmachines – helemaal is afgestemd op één type varken. Dus moeten boeren uniforme varkens produceren en krijgen ze een strafkorting als de maten van hun varkens afwijken, omdat ze dan handmatig geslacht moeten worden. Die standaardisering willen wij omdat we goedkoop vlees willen.”

Wildschut constateert een spagaat die de producenten ervaren tussen de strenge eisen van de industrie aan de ene kant en die van de consument aan de andere kant. Hij verwijst naar een uitzending van Zembla laatst waarbij geconstateerd werd dat er in sommige gevallen mest op vlees zit. Het is op zich niet goed te praten natuurlijk, zegt hij, maar je ziet dat zo’n discussie zich altijd op dezelfde manier ontwikkelt. De gebeurt als volgt: deskundigen roepen dat het ‘ver-schrik-ke-lijk’ is, milieuorganisaties zeggen dat het slechts het topje van de ijsberg is, de producent duikt weg en belooft strengere regels, de consument is ontzet en doet de volgende dag weer gewoon goedkope boodschappen.

Eigen tuin

„Ik probeer al drie jaar tomaten in mijn tuin te kweken en pas dit jaar is het me gelukt. En dan heb ik eindelijk rijpgekuste tomaten en dan smaken ze nergens naar.”

Wildschut bezocht een gigantische tomatenkas van 40 hectare in Noord-Holland en zag hoe het anders kan. Zij kweken daar ook ’s winters en kunnen concurreren met Spanje vanwege de efficiëntie van het productieproces. De kas wordt verwarmd door de restwarmte van een nabijgelegen energiecentrale, daarnaast is er een gesloten circuit gemaakt zodat er bijna geen insecticiden nodig zijn. Het is bijna biologisch. Bijna, want het gewas wordt op glaswol geteeld en dan mag het die naam niet hebben. „Er wordt daar zo’n enorme hoeveelheid tomaten geteeld, tomaten die er goed uitzien en lekker smaken bovendien. Het zijn wetenschappers die daar werken. Het is een vak. En ik maar hannessen met biologische koeienpoep.”

Daktuinen, ook zo’n ding, vindt de documentairefotograaf. „Het is leuk als hobby, maar daar ga je de wereld niet mee redden. Toen ik geboren werd, woonden er 3,5 miljard mensen op de wereld, tegenwoordig zijn dat er ruim 7 miljard. Er moet nu veel meer voedsel geproduceerd worden. Als we alles biologisch zouden willen hebben in de wereld, of laat staan alleen in Nederland, dan betekent dat uitsluiting. Dan kan niet iedereen meer vlees eten omdat het dan te duur wordt, en je kunt niet tegen een hele bevolkingsgroep zeggen dat ze iets niet mogen eten. Eten moet geen luxeprobleem zijn. Als de Partij voor de Dieren haar zin krijgt en we alleen nog biologisch voedsel produceren dan zal de productie zich verplaatsen naar het bijvoorbeeld goedkopere Polen. Met als gevolg dat we geen controle meer hebben over het productieproces. We moeten ons afvragen of we dat willen.”

Wildschut geeft geen antwoorden. Hij confronteert ons slechts met de realiteit van onze voedselproductie. Als we aan tomatensoep denken, zien we tomaten voor ons. Als we aan tomatensoep uit een pak denken, dan denken we graag aan een oude Italiaanse mamma die met liefde voor ons de soep bereidt. Wildschut laat ons het proces zien waarin de soep wordt gemaakt. Volledig steriel. Niks romantisch aan. Maar is dat erg?