Het puttertje fladdert overal heen

Na 66 bladzijden denk je dat de derde roman van Donna Tartt – waarvan de Nederlandse uitgave dit weekend verschijnt – weleens haar beste zou kunnen zijn. Dan zijn er nog zo’n 850 pagina’s te gaan.

Ze heeft al twee literaire supernova’s op haar naam staan: haar debuut uit 1992, De verborgen geschiedenis, en haar tweede roman, De kleine vriend, waarmee ze in 2002 bewees dat ze zich als schrijver nog verder had ontwikkeld. Nu volgt eindelijk de derde roman van Donna Tartt, Het puttertje. De verwachtingen zijn hooggespannen.

Het begint goed, met een Amerikaan in een hotelkamer in Amsterdam. Het is Kerst, hij is dagen niet naar buiten geweest, om hem heen liggen kranten waarin wordt geschreven over een moord waarbij hij blijkbaar is betrokken. Theo Decker heet de Amerikaan, hij is de verteller van de roman en neemt ons vanuit zijn hotelkamer mee naar de dag in New York, veertien jaar eerder, waarop zijn moeder stierf. Hij is dertien, en vlucht met zijn moeder een museum binnen om aan de regen te ontkomen. Terwijl ze een tentoonstelling over Hollandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw bekijken, ontploft er in de museumwinkel een bom.

De passage die volgt is prachtig. Hoe de gedesoriënteerde Theo bijkomt tussen de puinhopen, hoe hij een vervreemdend gesprek heeft met een stervende oude man, hoe hij door een misverstand een klein schilderij mee naar buiten neemt – het wordt door Tartt beschreven in een hallucinante passage, die pagina’s doorgaat zonder dat de spanning inzakt. Zoals ze al in De kleine vriend bewees, is Tartt erg goed in dergelijke tergend langzame scènes.

Terwijl Theo het museum uit wankelt, denk je dat dit wel eens Tartts beste boek zou kunnen zijn. Maar we zijn nog maar op pagina 66 en er volgen er nog zo’n 850. Helaas weet Tartt het niveau en de spanning van die eerste bladzijden niet vast te houden.

O, er gebeurt genoeg: de moederloze Theo wordt opgevangen door de stinkend rijke ouders van een schoolvriendje, tot opeens zijn vader opduikt en hem meeneemt naar Las Vegas. Daar ontmoet Theo de Oekraïner Boris, die een grote rol in zijn leven zal spelen, ook wanneer hij terugkeert naar New York. En al die tijd blijft Theo in het bezit van het schilderijtje dat hij uit het museum heeft meegenomen, Het puttertje van Carel Fabritius, uit 1654. Uiteindelijk zal het hem naar die hotelkamer in Amsterdam leiden.

Maar toch. Eigenlijk gaat het al mis in die apocalyptische scène in het museum, wanneer de oude, stervende man Theo een ring geeft, en een adres waar die ring naartoe moet. Veelbetekenende laatste woorden, een opdracht van een stervende: het zijn motieven uit ouderwetse avonturenromans. Het hedendaagse verhaal krijgt daardoor een archaïsch patina. Soms is het net of je een eenentwintigste-eeuwse variant op Dickens leest, met al die verschillende werelden waarin Theo terechtkomt en de clichématig neergezette personages (rijke moeders zijn afstandelijk, Oost-Europeanen impulsief en drankzuchtig, gangsterbazen schijnbaar poeslief). Tartt vangt dat op door naar Dickens te verwijzen, maar dat heeft, net als andere literaire verwijzingen in het boek, iets braafs en obligaats; nergens stijgt de roman boven zichzelf uit. Het blijft een avonturenverhaal waaruit de spanning langzaam weglekt.

Eigenlijk is er gewoon te veel avontuur: door alle gebeurtenissen verlies je het zicht op het schilderij, dat er niet in slaagt zijn functie als rode draad te vervullen omdat het niet voortdurend en dwingend op de achtergrond aanwezig is. Bovendien ontnemen veel zijlijntjes en bijfiguren het zicht op wat de kern van het verhaal had moeten zijn. De vorige romans van Tartt kenden een bepaalde eenheid van tijd en plaats, waardoor die dikke boeken in het gareel werden gehouden. Het puttertje mist zo’n gareel. Dat er ergens in het boek een tijdsprong van acht jaar wordt gemaakt, helpt daarbij ook al niet.

Er volgt ook nog een plot met allerlei misdadigers, maar die leren we niet goed genoeg kennen om hun lotgevallen interessant te maken. Dat geldt niet alleen voor de misdadigers. Wanneer personages uit het begin van het verhaal in latere delen terugkeren (zoals bijvoorbeeld het zusje van een schoolkameraadje, met wie Theo zich later verlooft), blijkt maar al te vaak dat we ze eigenlijk helemaal niet goed hebben leren kennen – en dus laten hun verwikkelingen ons vrij koud. Dat is vreemd voor zo’n dik boek, met zoveel potentiële ruimte voor karakterontwikkeling en persoonsbeschrijving.

De roman eindigt met een merkwaardig lyrische passage, waarin Theo de ene sympathieke wijsheid na de andere debiteert, waarvan sommige zo op een tegeltje kunnen. Blijkbaar is hij na zijn avonturen een ouder en wijzer mens geworden, maar de lezer kan die loutering moeilijk navoelen. Uiteindelijk hebben we ook het hoofdpersonage niet goed genoeg leren kennen.