Gehandjeklapten

Buurman aan de deur. Of ik via de babyfoon af en toe even naar zijn demente moeder wil luisteren? Dit alles in het kader van de participatiesamenleving. In ruil wast hij mijn auto en maait hij ons gazonnetje. Hij moet weg. Hij heeft een tijdelijke functie als interimmer bij een zorgorganisatie voor gehandicapten. „Tweehonderdvijftig euro per uur”, lacht hij naar me, „en ik heb deze maand al bijna een ton bij elkaar gescharreld! En mijn secretaresse zit op dertig ruggen!” Ik feliciteer hem met het succes en vraag hem hoe hij aan het baantje komt.

„Via een hockeyvriendje die daar in de raad van toezicht zit”, lacht de buurman, „die gozer weet zelf ook van zijn santé niet af, maar werd er ooit voor gevraagd. Via een dispuutgenoot. Was goed voor zijn cv. Vorige raad van bestuur heeft een financiële puinhoop achtergelaten. Onder het toezicht van mijn vriend trouwens. En nu mag ik puin ruimen. Heb al voor een miljoen weggesneden. Dus ik ben mijn geld dubbel en dwars waard!” Hij knipoogt.

Ik vraag hoe de organisatie heet.

„Humanitas”, zegt de buurman, „met nadruk op tas!” Hij moet er zelf om lachen. Ik ken de buurman niet goed. Heb laatst wel even op zijn website zitten loeren. Daarop staat dat hij transparant, koersvast en oplossingsgericht is. En dat hij de organisatie van binnenuit te lijf gaat. Met passie. Dat schrijft hij zelf.

Ik vraag of zijn vrouw geen tijd heeft voor zijn demente moeder, maar hij vertelt dat zij ook druk is met gehandicapten. Iets met chronisch zieken. Zij organiseert de zogenaamde Tour de Eiffel. Mensen gaan in Parijs de Eiffeltoren op en af rennen en worden door vrienden en bedrijven gesponsord. Het geld gaat naar onderzoek.

„Welk onderzoek?”, vraag ik voorzichtig.

„Ze zoeken nog een ziekte. Ze wilden met de Rotary iets goeds doen, waren mega geïnspireerd door de honderden miljoenen van de jongens van de Alpe d’HuZes en voor ze het wisten hadden ze die Tour de Eiffel verzonnen. Binnen twee weken hadden ze zesduizend deelnemers. Alleen hadden ze nog geen gehandicapten, maar een golfmaatje die elk jaar op de Dam gezellig schranst voor aidspatiënten, zei dat er her en der nog wel wat ondergesneeuwde rolstoelen om geld staan te trappelen. Het doel wordt volgende week bekendgemaakt.”

Ik feliciteer hem ook met dit succes, waarop hij begint over de zeven miljoen die al binnen is via onder andere wat vastgoedjongens, die voor hun definitieve faillissement nog wat beeveetjes moesten legen. Maar dat de penningmeester van de Tour de Eiffel iets te diep in de derivaten is gekropen en dat het geld eigenlijk al verdampt is. Een cricketkameraadje, die tijdelijk zonder werk zit omdat hij er bij de bank door Zalm persoonlijk is uitgeflikkerd, gaat dat oplossen.

„Hij doet het natuurlijk niet voor niks. Vierhonderd euro per uur. En dat is een schijntje omdat hij normaal het dubbele vangt. Maar hij is ook heel erg met het lot van die chronisch zieken begaan!” De buurman kijkt nu ernstig.

Ik zeg dat ik het begrijp en dat ik goed op zijn moeder zal letten.

„Als ze heel erg gaat schreeuwen, moet je haar luier verschonen. Maar wettelijk hoeft dat niet, dus je kunt haar ook lekker laten zitten.”

„Ik zie wel”, vertrouw ik de buurman toe. Dan vraag ik hem of hij al enig idee heeft wanneer hij mijn auto komt wassen en mijn gras gaat maaien.

Dat komt Vaclav doen. Vaclav is een Tsjech. De huis-Tsjech van de buurman om precies te zijn. En het is beter dat ik thuis ben als Vaclav rond mijn villa scharrelt. De buurman moet nu op zijn woorden letten. Hij wil absoluut niet discrimineren, maar het probleem met dit soort buitenlanders is dat ze nogal drinken, zeker in het weekend, en dat ze niet helemaal goed het verschil tussen mijn en dijn kennen. Of ik begrijp wat hij bedoelt? Ik zeg dat ik het snap.

Mijn buurman fluistert: „Vaclav is zelf wel te vertrouwen, maar neemt nog wel eens Poolse vriendjes mee naar binnen en…”

Dan toetert zijn chauffeur. Een Bulgaar. De buurman moet nu echt weg. Anders verpieteren zijn gehandicapten.