Een klimaatramp kan nooit groot genoeg zijn

De modellen die het broeikaseffect voorspellen, hadden niet voorzien dat het op aarde al twaalf jaar niet meer warmer wordt. Alle waarschuwingen voor de rampen die klimaatverandering zal veroorzaken, zijn nog veel dubieuzer.

De politie in de Chinese havenstad Qingdao helpt een automobilist die zijn auto aan zee had geparkeerd toen de zware cycloon Bolaven over het land trok. De bestuurder wilde de golven bewonderen. Foto AFP

Het VN-panel voor klimaatanalyse IPCC bestaat 25 jaar, volgende week verschijnt zijn vijfde klimaatrapport. Opnieuw zullen we te horen krijgen dat het CO2-gehalte van de atmosfeer gestegen is en dat ook de concentraties methaan en lachgas weer toenamen. Het zeewater werd warmer, de zeespiegel steeg verder, de gletsjers zijn weer korter en rond de noordpool is het ijs verder uitgedund. Toendra’s verpappen, oceanen verzuren. Het is erg en het ligt aan ons.

Maar één ding zullen we niet horen: dat het warmer is geworden. Als sinds 2000 is de mondiale temperatuur niet meer gestegen. Meerdere onderzoeksgroepen zijn betrokken bij de berekening van de gemiddelde wereldtemperatuur en het staat vast: zij stijgt niet.

De adempauze is een opluchting misschien, maar ze is ook pijnlijk. De stagnatie werd door niemand voorzien en ze toont dus in de eerste plaats aan hoe onbetrouwbaar de klimaatmodellen nog zijn. Klimaatwetenschappers hebben nooit ontkend dat zij moeite hebben met het modelleren van wolken, zeestromen, ijsbewegingen, de reactie van de biosfeer en nog meer, zij moeten werken met emissiescenario’s die er maar een slag naar slaan, maar ze dachten toch dat hun modellen voldoende waarde hadden om de mondiale temperatuurstijging te voorspellen.

Dat blijkt niet het geval. Het wordt nog het duidelijkst aangetoond door de vele ad hoc-verklaringen die inmiddels voor die stagnatie zijn aangevoerd. Eerst het El Niño-effect, daarna de zwaveluitstoot van China, vervolgens de vulkanen langs de evenaar, toen onvermoede ophoping van warmte in de diepzee en de laatste verklaring is dat een koude plek op de Stille Oceaan de boosdoener is. Als die weg is wordt het vanzelf weer warmer (Nature, 25 juli).

De in modellen belangrijke invloed van de zon en haar variërend aantal zonnevlekken is nog lang niet helder. Twee weken geleden werd bekend dat de gletsjers van Zwitserland en Oostenrijk in de negentiende eeuw niet plotseling begonnen te smelten omdat er een einde kwam aan de Kleine IJstijd (die aan verminderde zonneactiviteit wordt toegeschreven) maar omdat er industrieel roet op het ijs was gevallen (PNAS, 3 september).

En er is meer wat te denken geeft. Er is ons al eens voorgehouden dat het zee-ijs rond de noordpool binnen vijf jaar verdwijnen zou, dat de Golfstroom zou afzwakken of stilvallen en dat er in de afvoer van de Rijn steeds wildere extremen zouden voorkomen. Er zouden binnen afzienbare tijd wel tien of twintig Katrina-cyclonen per jaar op de Amerikaanse kust slaan. Woestijnen gingen zich uitbreiden en in grimmige klimaatoorlogen zou om de laatste resten water worden gevochten.

Het lijkt eigenlijk wel mee te vallen. Er zijn onmiskenbaar verontrustende trends, de snelle ophoping van broeikasgassen in de atmosfeer is sinister, als er opeens veel methaan uit diepzee en toendra vrijkomt kan de opwarming dramatisch versnellen, oceaanverzuring is een serieuze bedreiging voor kalkhoudende organismen en ‘extreme weather events’ (hittegolven, overstromingen) slaan verraderlijk onverwacht toe. Maar of ze vaker voorkomen dan vroeger is nog helemaal niet zo zeker.

De vraag moet maar eens gesteld worden: hoeveel klimaatrampen bedreigen ons werkelijk, hoe snel bereiken ze ons en zijn ze echt van bijbelse proporties?

Dit korte overzicht leent zich niet voor harde conclusies, daarvoor zijn er te veel onzekerheden. Wat helder zichtbaar wordt is een enorme gretigheid om rampen te voorspellen, een fel verlangen om de apocalyps aan te kondigen. Met bedenkelijke ijver word gezocht naar ‘tipping points’ en ‘run away’-effecten. Maar keer op keer blijken de voorspellingen te moeten worden herzien, of blijkt het aangekondigde effect wel mee te vallen. Nu de mondiale temperatuur al meer dan een decennium niet gestegen is wordt het misschien tijd het klimaatdebat in rustiger vaarwater te brengen. Eigenlijk is de vraag: zijn de voorspelde rampen echt van een andere orde dan de rampen die ons al eerder troffen? De beide wereldoorlogen? De Spaanse griep? De builenpest?

1 Veel land loopt onder doordat de zeespiegel stijgt. De oceanen verzuren en stromen vol smeltwater en door opwarming zet het water uit. Het zeeniveau stijgt gestaag en de ‘small island states’ zullen er als eerste de dupe van worden. Het is daarom een geluk dat de staten echt heel ‘small’ zijn: het zijn overwegend atollen die maar een meter of wat boven water steken, tsunami’s trekken er pardoes overheen. Ontruiming van de atollen is niet van een andere orde dan de trek uit de Amerikaanse ‘dust bowl’ in de jaren dertig.

Problematischer lijken de gevolgen van de zeespiegelrijzing voor de dichtbevolkte rivierdelta’s van deze wereld en men dingt niet graag af op het lot dat de deltabewoner wacht: zien hoe zijn delta onderloopt en dan verdrinken. De nuance is: het zeeniveau stijgt ongelooflijk langzaam, dat is laatst nog eens onderstreept door onderzoekers van de Amsterdamse VU (Climatic Change, 18 juli 2012). Er valt goed op te anticiperen, ook al omdat het tempo de laatste negentig jaar niet veranderde, al is wel beweerd dat het versnelde.

Er blijken ook natuurlijke schommelingen voor te komen in de stijgsnelheid. Als bij zware regenval veel water op het vasteland van Australië wordt opgeslagen stijgt het zeeniveau een tijdje minder snel (Geophysical Research Letters, 12 augustus). De stijgsnelheid is in feite zo laag dat veel delta’s het tempo hadden kunnen bijhouden als niet in de bovenstroom van de rivier zoveel sediment aan het water was onttrokken door irrigatie en stuwdammen. En als niet de benedenloop bedijkt was. De VU concludeerde: niet die gestage zeespiegelstijging maar stormvloeden of een plotseling verhoogde afvoer van de rivier zijn het grote gevaar van de delta.

2 De woestijnen worden groter. Toen in de jaren tachtig de Sahel en ‘de hoorn van Afrika’ door langdurige droogte werden getroffen is dit aanvankelijk verklaard als een indirect effect van overbegrazing. Maar de brede bewustwording rond het broeikasthema leidde in de jaren negentig tot de overtuiging dat de droogte een gevolg was van het broeikaseffect. De klimaatverandering zou tot uitbreiding van woestijnen leiden – het IPCC suggereerde dat ook. Voor de hand ligt het niet, want in principe versterkt het broeikaseffect de waterkringloop (meer verdamping, meer regen), maar als de regen vooral op zee valt kan het land uitdrogen. De angst voor verwoestijning is een eigen leven gaan leiden.

Maar de droogte in Sahel en Hoorn van Afrika bleek een gril van de natuur, de regenval is er inmiddels weer aardig op peil. Verrassend genoeg is onlangs komen vast te staan dat overal op aarde de randen van bestaande woestijnen ‘vergroenen’. Het wordt toegeschreven aan de verhoogde CO2-spanning die planten in staat stelt zuiniger met water om te gaan (Geophysical Research Letters, 19 juni online). De klimaatmodellen voorspellen inmiddels vooral bodemdegradatie en uitdroging in centraal Spanje en andere gebieden rond de Middellandse Zee, en verder in het zuidwesten van de VS en een deel van Australië. Daar is de extra droogte ook geen pretje, maar hij treft er niet de allerarmsten van deze aarde.

3 Gletsjers smelten, het water in Oost-Azië raakt op. De 15.000 gletsjers van de Himalaya konden al in 2035 of zelfs eerder verdwenen zijn, schreef het 4de klimaatrapport van het IPCC in 2007. Dat bleek een abuis van het Wereldnatuurfonds, het moest 2350 zijn of nog iets anders, maar vast stond dat het snel de verkeerde kant opging met de bevroren watervoorraad waarvan bijna anderhalf miljard mensen afhankelijk zijn. In de Himalaya ontspringen rivieren als de Indus, de Ganges, de Brahmaputra, de Mekong en de Yangtze. Als het ijs op was zat men benedenstrooms zonder drinkwater, moesten we begrijpen.

Maar al in 2010 schreven Nederlandse onderzoekers in Science (11 juni) dat er weinig patroon zat in het ijsverlies van de Himalaya-gletsjers en dat veel rivieren in het gebied helemaal niet zo afhankelijk waren van smeltwater: ze ontvingen ook veel regenwater. In 2012 voegden Amerikaanse onderzoekers er in Nature (23 februari) aan toe dat zij in zwaartekrachtsmetingen nauwelijks bewijs voor ijsverlies terugvonden. De Nederlandse onderzoeksgroep denkt dat het ijsverlies er toch snel komt, maar ziet deze eeuw nog weinig problemen voor de drinkwatervoorziening. Want extra smeltwater is ook extra drinkwater (Nature Geoscience,4 augustus online).

4 Er komen steeds meer tropische cyclonen. Zelden hebben zich zoveel tropische cyclonen boven de Atlantische oceaan ontwikkeld als in 2005 toen New Orleans door orkaan Katrina werd verwoest. De reactie was als in 1988, toen de VS door intense hitte en droogte werden getroffen: dit is een uiting van het broeikaseffect, een voorproefje van wat komen gaat. Voor 2006 werden evenveel cyclonen voorspeld, maar ze kwamen niet. Het modelleren van ‘extreme weather events’ als tropische cyclonen, hittegolven of perioden met overvloedige regenval is niet makkelijk. Er zijn vaak ook te weinig waarnemingen om statistisch overtuigende trends te kunnen aantonen. Inmiddels lijkt wel vast te staan dat de huidige cycloonactiviteit boven de Atlantische oceaan uitzonderlijk is (Nature, 13 augustus 2009), maar dat sluit niet uit dat het natuurlijke variabiliteit is. Interessant genoeg voorspellen de laatste klimaatmodellen dat het jaarlijks aantal cyclonen onder invloed van de klimaatopwarming zal afnemen. Alleen de frequentie en intensiteit van de zwaarste categorie cyclonen zou toenemen, maar die voorspelling wordt nog niet door waarnemingen gesteund. Dat de schade die cyclonen aanrichten steeds groter wordt komt vooral doordat er steeds meer en steeds slechter in kustzones wordt gebouwd.

5 De oogsten worden magerder. Klimaatverandering wordt niet als een zwaar probleem voor de voedselvoorziening beschouwd, zeker niet nu duidelijk is geworden dat de randen van de bestaande woestijnen vergroenen, de Sahel voorop. Een recent overzichtsartikel in Science (2 augustus) noemt plichtmatig het onderstromen van de rivierdelta’s als bedreiging, maar op kortere termijn zullen landbouwgewassen waarschijnlijk vooral profiteren van de stijgende concentratie CO2 in de atmosfeer. Modellen voorspellen toenemende graanopbrengsten op gemiddelde en hogere geografische breedten. Rond de tropen kunnen de opbrengsten wat dalen.

De grootste bedreigingen van de voedselzekerheid komen natuurlijk van de groeiende wereldbevolking, de toenemende vleesconsumptie en de neiging landbouwgrond te gebruiken voor biobrandstof die het broeikaseffect moet bestrijden. Ook als verklaring voor de toegenomen verspreiding van plantenziekten (Nature Climate Change, 1 september) komt klimaatverandering pas op de tweede plaats. Het is vooral de toegenomen mobiliteit die het ongerief teweegbrengt.

6 Malaria en andere ziekten eisen meer slachtoffers. Hoe bepaalt een mens de invloed van klimaatverandering op gezondheid? Heel eenvoudig: hij kijkt naar de relatie die tot op heden tussen temperatuur en ziekte of sterfte werd gevonden, hij laat klimaatmodellen de toekomstige temperaturen becijferen en berekent dan hoeveel extra ziekte en sterfte dat moet opleveren.

De extra sterfte die een hittegolf oplevert valt vrij direct uit eerdere hittegolven af te leiden, maar de golven zelf zijn niet voorspelbaar. De temperatuursverandering die het El Niño-effect op veel plaatsen teweegbrengt, loopt vaak synchroon met toename of afname van ziekten – ook dit verband wordt veel gebruikt.

Langs deze weg wist de WHO in 2004 te becijferen dat er in het jaar 2000 in Afrika al bijna twee miljoen gezonde levensjaren verloren waren gegaan aan klimaatverandering. Een bedrieglijke voorstelling van zaken: de kans op diarree stijgt met een paar procent als de temperatuur oploopt en omdat half Afrika diarree heeft leidt dat al gauw tot enorme aantallen. En dan nog: wie zal zeggen welk weertype een uiting is van klimaatverandering? Was de droogte van de Sahel het?

De Lancet kwam op 11 maart 2006 nog met een heel kalme analyse over de invloed van klimaatverandering. Meer cholera na overstromingen, natuurlijk, en misschien dat de kans op malaria toenam. Maar in 2009 verscheen opeens een stuk waar de honden geen brood van lustten. Toen was een zware commissie aan het werk geweest en die had besloten dat de potentiële gezondheidseffecten van klimaatverandering ‘immens’ waren.

Wat was er veranderd in die drie jaar? De commissie had álle mogelijke effecten van klimaatverandering op de gezondheid in kaart gebracht: niet alleen de hittegolven en een mogelijk versterkte verspreidingskans van besmettelijke ziekten, maar ook water- en voedselgebrek, watervervuiling, meer pollen in de lucht, enzovoort. De dokters en epidemiologen wilden wakker schudden. Inmiddels is wel bijna zeker dat malaria zich niet gaat uitbreiden onder de voorspelde opwarming. Voor de meeste andere vectorziekten is dat nog heel onduidelijk.

7 Klimaatverandering leidt tot conflicten en oorlog. De gedachte dat klimaatverandering tot klimaatoorlogen zou kunnen leiden blijkt zo verleidelijk dat er al honderden artikelen over zijn verschenen. De aanpak is als hierboven: men gaat ervan uit dat zo’n invloed al is opgetreden, zoekt verbanden tussen temperatuur (of neerslagvermindering) en conflicten en voorspelt aan de hand van klimaatmodellen de conflicten van de toekomst. De uitslag wordt bepaald door de definitie van ‘conflict’ en de vraag of de klimaatinvloed moet gelden voor de aanloop, het uitbreken of de duur van het conflict.

Vaak is de stilzwijgende aanname dat klimaatoorlogen om schaars water gaan, maar juist dat probleem blijkt altijd vreedzaam te worden opgelost (Nature, 19 maart 2009). Een andere moeilijkheid is dat in het verleden een toename van conflicten juist samenviel met afkoeling. Science van 18 mei 2012 wees op de enorme methodologische verwarring in deze discipline, er wordt zelfs geen onderscheid gemaakt tussen weersverandering en klimaatverandering. Maar alsof er niets gebeurd was plaatste het blad zelf vorige maand wéér een stuk waarin door middel van een meta-analyse een verband, zelfs een causaal verband, tussen klimaatverandering en conflict werd ‘aangetoond’.