Een echt dier van klei en houtwol

Preparateurs die dieren opzetten, voelen zich kunstenaars. Maar eerder zetten ze alles in om een hert of roofvogel te perfectioneren – van filmbeelden tot hun eigen lichaam.

Met dit tafereel van een boomvalk die een boerenzwaluw vangt, won taxidermist Mike Gadd vorig jaar de Britse gildeprijs. Foto Mike Gadd

‘Kijk, deze opgezette patrijs is symmetrisch en heeft rechte schouders. Maar hij staat op één poot en dan horen zijn schouders schuin te staan.” Preparateur Mike Gadd, een van de sprekers tijdens de onlangs gehouden workshop Mastership in Taxidermy in het Noord-Engelse Kendal Museum, gaat op één been staan om zijn gehoor te laten zien wat er dan met zijn eigen schouders gebeurt. „Dit is dus geen goed opgezet exemplaar.”

Gadd zet dieren op. Hij is meester bij het UK Guild of Taxidermists. Bij het laatste kampioenschap van het gilde won hij de eerste prijs voor een valk die zich in de lucht op een wegvluchtende zwaluw stort. Hij gebruikt in zijn voordracht zijn hele lichaam om houdingen en bewegingen van vogels weer te geven; hij duwt zijn borst naar voren als hij voordoet hoe ze eten van de grond pikken, zijn arm maakt een kronkelige beweging om te tonen hoe een gekromde vogelwervelkolom eruitziet en hij drukt zijn armen stevig tegen zijn lichaam als hij duidelijk wil maken dat vogels parallel aan de wervelkolom stevige schouderbladen hebben. „Die hebben ze nodig bij het vliegen.”

Het zijn details die de organisator van de workshop, de Nederlandse cultureel antropologe Petra Tjitske Kalshoven van de Universiteit van Manchester, zeer interesseren. Met een beurs van British Academy/Leverhulme doet ze onderzoek naar taxidermie, de kunst van het opzetten. Een vraag die haar bezighoudt is wat dieren prepareren zegt over de relatie tussen mens en dier en natuur. In de manier waarop taxidermisten als Gadd zich inleven, ziet Kalshoven een „affectief proces tussen mensen en niet-menselijke dieren”.

Het prepareren van dieren heeft in het Noord-Engelse stadje Kendal een lange geschiedenis. Het Kendal Museum bezit een grote collectie van opgezette dieren uit de Victoriaanse tijd (1837-1901) en de vroege twintigste eeuw. Het prepareren en opzetten van dieren werd ontwikkeld in West-Europa in de zeventiende en achttiende eeuw, maar de kunst bloeide in de negentiende eeuw. Het was de tijd dat de Britse adel naar verre streken in het Britse rijk trok om exotische dieren te schieten. De dieren kwamen opgezet en wel als studieobjecten én als jachttrofeeën en symbolen van de macht van het Britse imperium in musea als het Kendal Museum terecht. Uit die tijd stamt de ontzagwekkende ijsbeer in het museum, staand op zijn achterpoten. En er is een buidelwolf uit Australië – inmiddels uitgestorven.

Aan de methoden van prepareren is sinds de Victoriaanse tijd niet veel veranderd. Speciaal voor haar onderzoek werd Kalshoven lid van het Britse taxidermistengilde. „Je begint onderaan. Door goede preparaten te laten keuren, kun je punten verdienen en opklimmen tot master member.” Het lidmaatschap bood Kalshoven inzicht in het vak en de praktijk van de taxidermisten.

Bij de jaarlijkse bijeenkomsten bezocht ze demonstraties en keek ze toe hoe meester-preparateurs met kunde een huid afstroopten en met looistof bewerkten, hoe ze van houtwol, piepschuim of balsahout een model van het lichaam maakten, hoe ze sommige originele delen van het dier zoals een schedel of een gewei op het model plaatsten, met klei spieren simuleerden en daarna de schoongemaakte en lege huid over het model trokken. De opgebrachte huid, constateerde Kalshoven, werd met zorg verder in model gebracht door hem te kneden, te borstelen, te aaien en voorzichtig bij te knippen. Tussen al deze tedere handelingen door, gebruikten de preparateurs soms ‘grof’ geweld en nietten onderdelen vast met een elektrische nietmachine.

„Voor de juryleden bij de jaarlijkse gildebijeenkomst moeten de opgezette dieren er zo realistisch en natuurgetrouw mogelijk uitzien”, zegt Kalshoven. „Ze voelen wel aan de opgezette dieren, maar dat doen ze vooral om te controleren of de dieren anatomisch correct zijn. Het is dus geen probleem dat de oren van een reebok keihard zijn van de epoxy. Zolang het maar lijkt alsof het dier zijn oren spitst.”

Ook schilderen mag, zoals de Zwitser Matthias Fahrni doet. Hij is gespecialiseerd in het opzetten van kleine vissen zoals voorntjes. Vol geestdrift vertelde hij op een eerdere workshop dat één enkele schub wel drie verschillende kleuren en drie of vier verschillende glinsteringen kan hebben, en dat over die ene schub ook nog een regenboogachtig schijnsel kan hangen. Met verschillende lagen verf probeerde hij die verschijnselen te vangen.

Maar zelfs als dat was gelukt konden de ogen alles verpesten. Want de ogen, zo vertelden alle preparateurs, maken het verschil tussen een levensecht of levenloos uitziend opgezet dier. Sommige preparateurs zijn niet tevreden met de gewone glazen ogen die op de markt zijn, en laten ze ergens speciaal voor hen maken. Of ze maken de ogen zelf, zoals Fahrni. Dan nog is het oppassen, weet Kalshoven. „Want als je ze te diep in de oogkassen legt, boots je een dode vis na.”

Om ook de houdingen van de dieren zo realistisch mogelijk te maken, gebruiken de preparateurs foto’s en overzichten en diagrammen met maten van de lichaamsdelen van de verschillende diersoorten. „Tegenwoordig maken we ook gebruik van documentaires die met hogesnelheidscamera’s zijn gefilmd. Dan zie je dingen die je met het blote oog niet kunt zien”, legt Gadd uit. Toch blijft de eigen waarneming in het veld ook belangrijk. Gadd vertelt dat hij iedere ochtend met zijn hond eropuit trekt, verrekijker in de hand.

„Preparateurs benadrukken vaak dat ze dicht bij de natuur staan”, zegt Kalshoven. „Ze observeren de dieren in hun omgeving, houden zelf dieren en zetten zich soms ook in voor het behoud van diersoorten. De levende natuur interesseert hen dus en die proberen ze naar eigen zeggen te vangen. Maar in hun werk, vooral bij competitiestukken, streven ze naar hyperrealisme, want de dieren die ze gebruiken moeten perfect zijn en mogen geen gebreken hebben, want anders denkt de jury dat het een fout van de preparateur is.” „Bovendien”, zo vertelde een preparateur aan Kalshoven, „voor een wedstrijd kies je sowieso geen dier met gebreken, want je wilt toch geen horrorkabinet maken?”

Preparateurs zien zichzelf toch graag als kunstenaars, zegt Kalshoven. „Door de populariteit van conceptuele kunst was kunde echter verdacht in de kunstwereld.” Maar de laatste jaren hebben kunstenaars de taxidermie ontdekt, zoals Damien Hirst en Mark Dion. Ze maken er veelvuldig gebruik van. Veel kunstenaars sluiten zich aan bij het gilde van preparateurs omdat ze de kennis en kunde willen opdoen om zelf dieren te prepareren.

Een van hen, Anthea Walsh, heeft als onderdeel van de workshop een tentoonstelling in het Kendal Museum gemaakt. Een opgezette specht heeft ze zo in verschillende borduurramen verwerkt dat verenkleed en stiksels naadloos in elkaar overgaan.Die ontwikkeling roept bij Kalshoven als antropologe vragen op. Wat is het verschil tussen kunst en kunde?

Voorzichtig lijken kunstenaars en preparateurs dichter bij elkaar te komen. Op de jaarlijkse bijeenkomst van het Britse gilde vorig jaar kreeg Emily Mayer, die voor Damien Hirst werkt, de eerste prijs voor haar preparaat van een koeienkop. Maar in het algemeen vallen Kalshoven juist de verschillen op tussen taxidermisten en kunstenaars. Kunstenaars benadrukken vaak het dode in een dier; de preparateurs willen dieren vooral tot leven wekken.

Daar gebruiken die preparateurs zelfs hun eigen lichaam voor, merkte Kalshoven na vele ontmoetingen in Groot-Brittannië en Nederland. Ze heeft het idee dat de preparateurs ‘shape-shifters’ zijn – ze nemen steeds andere gedaanten aan. „Vooral vogeltaxidermisten, zoals Mike Gadd, nemen vaak poses aan en doen met hun eigen lichaam de dieren na.” Dat verschijnsel doet Kalshoven denken aan wat de twee Britse wetenschappers Dee Reynolds en Matthew Rewason, die zich met dans bezighouden, ‘kinestetische empathie’ noemen: een toeschouwer voelt zich zo verbonden met een danser dat hij de danser met zijn eigen lichaam voelt dansen en mee beweegt. „Met dit verschil dat bij taxidermie het affectieve proces tussen mensen en niet-menselijke dieren plaatsvindt. Bovendien bewegen de dieren niet meer. De preparateur leeft zich in en bootst een dier na door zijn herinnering en expertise te gebruiken.”

Het verschijnsel past volgens Kalshoven in een grotere ontwikkeling. „Sommige antropologen constateren dat het totemisme in de westerse wereld toeneemt. Waar vroeger de nadruk lag op de verschillen tussen mens en dier is er nu meer belangstelling voor de overeenkomsten.” De mens staat ook in de westerse wereld steeds vaker niet aan de top van de hiërarchie. Zelfs de preparateur is soms de macht kwijt over zijn op te zetten dier, zo citeert Kalshoven een Nederlandse preparateur: „Soms bepaalt een vogel tijdens het prepareren zelf in welke houding hij geplaatst wil worden, want dan verzet hij zich tegen een bepaalde pose. Dat ligt buiten mijn macht.”